Bekijk onbeantwoorde berichten | Bekijk actieve onderwerpen Het is momenteel Zo 21 Okt 2018, 18:59

Er zijn 3 resultaten gevonden

Auteur Bericht

 Jump to forum   Jump to topic

Geplaatst: Za 19 Aug 2017, 15:14 

https://s17.postimg.cc/xt0sc8amn/image.png

PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S
Deel 8

MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN


De man die luitenant Doue in zo'n korte tijd was geworden, had de neiging om weer ineen te schrompelen tot zijn kinderjaren. Een onbezorgde tijd. Toen kon hij nog fantaseren over later of een dagje luieren en spijbelen van school.
Toch weigerde de man in Doue zijn nieuwe bezit weer af te staan. Nu was luieren of spijbelen dodelijk. Ook weigerde hij te twijfelen aan zijn eigen capaciteit. De man en de jongen in hem streden om de voorrang. Doue wilde er niet aan toegeven. Toch keerde z'n gedachten heel even terug naar die onbezorgde tijd van zijn jeugd. Eigenlijk nog maar zo kort geleden.
Tot hij zijn eerste doden meemaakte bij Mam Boeni-boeni.
Daar voelde hij zich een echte man met verantwoording voor zijn soldaten. En nu was er de twijfel. De strijd was eigenlijk al verloren toen de hinderlaag mislukte.
Ze hadden die mariniers in de val gelokt. Maar die Orang mariners hadden hard teruggevochten. Ze hadden zich niet overgegeven. Die mariniers waren ook niet gevlucht.
Zijn mannen, nee hij en z'n mannen, waren gevlucht ondanks het voordeel van hun positie. Eerst had hij de vijandelijke verkenner laten passeren, om daarna het vuur op de rest van de patrouille te openen. Maar de mariniers hadden verrassend snel en hard gereageerd. Die Belanda's lagen in dekking bij de eerste schoten en hadden hun posities behouden.
Heel even nog dacht Doue dat het toch nog zou lukken de vijand te overwinnen. Met een van zijn soldaten had hij de verkenner afgesneden van zijn eenheid en ingesloten. Maar Doue zag dat de grote marinier zijn kapmes gebruikte en zijn man doodde. Toen was hij geschrokken. Een wapen afvuren was een bijna onpersoonlijke handeling, maar vechten met een mes deden alleen de besten. De duivel.
Hij Doue, de man in hem, had zijn wapen al op de marinier gericht met zijn vinger om de trekker. Tot hij het woeste gezicht zag. Nee, niet woest. Er was geen enkele uitdrukking op het gezicht van de grote marinier toen deze het kapmes gebruikte. Hij kon de kerel recht in z'n ogen kijken en had gerild. Hij, de luitenant, was bang geweest en had zich stil gehouden tot de marinier weg was. De marinier leek ineens verdwenen. Opgeslokt door het oerwoud. Toen was Doue achter zijn mensen aangerend in een vlucht van paniek, het wapen vurend over zijn schouder.
Doue kreeg zichzelf weer onder controle en zijn harde opleiding maakte van hem weer een kundig officier. Opnieuw miste hij vier man. een zeker dood en van de anderen wist hij het niet. Maar wel wist luitenant Doue dat hij van de mariniers geen genade hoefde te verwachten. Naar de kust terugtrekken kon hij niet. Daar waren andere mariniers. Hij was vast van plan zijn mensen opnieuw de bergen in te leiden om zich over te geven aan de troepen die in het stadje Fak-fak gelegerd waren. Dat waren geen mariniers wist hij uit de rapporten. De Nederlandse landmachttroepen zouden hem wel gevangen nemen. Het zou een helse tocht worden, maar het ging om hun leven.
Luitenant Doue haalde opgelucht adem toen zijn kleine eenheid de kali bereikte. Het was nog vroeg, maar zijn mannen hadden hun rust nodig. Ze zouden hier vandaag hun bivak maken. Morgen zou hij proberen het gebergte weer te bereiken.
Doue wilde zijn mannen nog waarschuwen voorzichtig te zijn toen deze zich in het riviertje wierpen. Hun discipline was volkomen verdwenen.
--0--


Het uur was allang verstreken toen ze hun eigen eenheid bereikten. Voordat de sergeant iets kon zeggen stak Wije zijn hand op. "Snel sergeant, dieper het oerwoud in. Elf man. Vier zware automatische wapens, de rest machine pistolen. Zo te zien zijn ze uitgeput, maar ze zullen zelf ook wel de omgeving verkennen voor ze bivak maken."
De mariniers handelden in een snel automatisme en trokken zich terug het oerwoud in. Alleen korporaal Zwijgers en Wije bleven aan de rand van het oerwoud en het wachten begon. Ruim dertig minuten bleven ze liggen, voor ze de vijand zagen die voorzichtig aan de andere kant van de rivier uit de bosrand kwam. Twee parachutisten in camouflage pakken naderden de open plek langs de rivier en met een kijker verkenden ze de omgeving. Het leek eindeloos lang te duren, maar eindelijk gingen de para's zitten om op hun gemak een sigaret op te steken. Zwijgers en Wije keken elkaar aan, grijnsden en bleven rustig liggen. Opnieuw leek het wachten een eeuwigheid te duren, maar toen stonden de para's op en trokken zich weer terug in het oerwoud .
Nog heel even bleven Zwijgers en Wije liggen waarna zij zich terugtrokken naar de rest van hun eenheid en sergeant Loppes .
"Oké sergeant, die gasten zijn pleite." De korporaal keek Loppes afwachtend aan tot deze zei. "Het is het beste als we aan de overkant een post inrichten met een automatisch geweer."
De sergeant keek zijn mensen aan en gaf het bevel. "Dat wordt een taak voor de tweede ploeg. De eerste ploeg beveiligt de boel aan deze kant. Maakt jullie gereed, daarna wil ik de ploegcommandanten hier hebben."
Op zijn gemak liep Wije naar zijn maten. Tot zijn verbazing zag hij dat Meurs en Sijne bezig waren zich te scheren en hun schoenen te poetsen. "Waar zijn jullie nou verdomme mee bezig? Hebben jullie niets beters te doen? Is er al een post ingericht om het bivak te beveiligen?"
Meurs was de enige die reageerde. "Rijke zit op post, verder nog niemand. Je weet hoe de sergeant is. Wat dat betreft denkt hij dat met gepoetste schoenen de vijand beter is aan te pakken. Jij mag je ook wel even uitsloven voor Loppes, anders krijg je nog een rapport aan je kont."
Wije schudde zijn hoofd. "Houdt op met dat gezeik. Het is nog maar de vraag of hij de vijand wel aan wil pakken. Volgens mij is het voor hem een mooi excuus dat we die gevangenen hebben. Dan kan hij met goed fatsoen terug naar het kamp." Wije taxeerde de omgeving en wees Sijne aan om met zijn automatisch wapen, aan hun kant van de rivier een post in te richten
Er bleven nog maar weinig mannen over. Eigenlijk waren ze ook met veel te weinig mensen. Vooral nu ze drie gevangenen hadden om te bewaken.
Maar de mannen die op dat moment niets te doen hadden spanden de halve tentzeiltjes en richtten een provisorisch bivak in. Een man van de tweede ploeg stak de rivier over en maakte een post net iets binnen de rand van het oerwoud.
Even later kwamen de beide ploegcommandanten samen onder het afdakje van de sergeant en korporaal.
Loppes keek Wije aan. "Je hebt gezien dat ik je mensen opdracht heb
gegeven zich te fatsoeneren." Opnieuw keek de sergeant naar Wije's vervuilde uniform en zei hoofdschuddend. "Ik had van jou verwacht dat je het goede voorbeeld zou geven."
Wije wilde een opmerking maken maar voor de tweede keer die dag gaf de korporaal hem een stevige por tussen zijn ribben. De sergeant lette er verder niet op en spreidde zijn stafkaart uit. "Oké mannen," begon Lopers. "Deze klus zal nog heel wat van ons vergen. Onze opdracht is om de vijandelijk eenheid uit te schakelen. Maar we zitten met drie gevangenen opgescheept. Dat kost ons al vier man als bewaking wanneer we de gevangenen onder begeleiding terugsturen naar het kamp." De sergeant keek het kleine groepje aan alsof hij al wist dat er commentaar op zou komen. "Ook al zouden we ze onder bewaking hier laten om de vijand verder te achtervolgen."
"Heeft u al wat meer inlichtingen wat betreft de sterkte van die para's?" vroeg marinier eerste klas van Dalen die de tweede ploeg leidde .
De sergeant grijnsde en richtte zich in zijn volle lengte van bijna twee meter op. "Jullie weten dat ik daar geen moeite mee heb, omdat ik het taaltje van die knapen spreek." Loppes keek zijn mannen nog eens triomfantelijk aan. "Er zijn inderdaad nog twee ploegen gedropt, maar deze opereren in het gebied van de 3de geweergroep."
Wije had moeite om zijn gedachten niet uit te spreken en keek alleen maar naar de korporaal terwijl zijn mond de woorden "lul," vormde.
Het enige dat Wije hardop zei was. "Afschieten die gasten, nu we ze niet meer nodig hebben. Daarna kunnen we achter de rest aan."
De mannen keken hem aan en alleen van Dalen zei." Ik vind ook dat we achter de rest aanmoeten en die gevangenen belemmeren ons daarbij."
Korporaal Zwijgers schudde zijn hoofd. "Zolang ze niet proberen te ontsnappen wordt dat een moeilijke zaak. Maar we moeten iets doen om de vijand te vernietigen."
"Dan laten we ze toch ontsnappen," zei Wije weer .
"Houdt jij je grote smoel Wije. We laten niemand ontsnappen," zei de sergeant. "We trekken ons met de gevangenen terug."
Langzaam zei korporaal Zwijgers. "Dat is niet onze opdracht. We moeten die vijandelijke eenheid uitschakelen. Ze vormen een gevaar voor de dorpen in de buurt."
"We zijn maar met acht man," begon de sergeant weer .
"Niet als we de gevangenen achterlaten. Ze zitten prima aan die bomen. Daar komen ze niet van los," reageerde Wije. "Het is onze opdracht. We kunnen niet terugkomen en melden dat we nog een groep van elf para's in het veld hebben achter gelaten."
Korporaal Zwijgers keek de anderen aan en vroeg toen aan de sergeant.
"Heeft u nog contact gehad met het hoofdkwartier? We moeten iets doen sergeant. We kunnen ze pakken, omdat wij het voordeel hebben dat we weten waar ze zitten. Onze aanval zal hen zo verrassen dat het voorbij is voor ze kunnen reageren."
De sergeant aarzelde. "De radio is nog steeds buiten werking en het ziet er niet naar uit dat ding gerepareerd kan worden. De beslissing ligt geheel bij ons."
Opnieuw zei Wije. "Dan moeten we die gasten achterlaten. Een bewaker moet genoeg zijn."
De korporaal keek Wije aan, schudde zijn hoofd en zei. "We moeten iets doen, anders maken we een slechte beurt op het hoofdkwartier."
De sergeant aarzelde duidelijk. "Oké Zwijgers, als jij een oplossing hebt voor de gevangenen laat ik het aan jouw over." Peinzend zei de sergeant, terwijl hij voor zich uit staarde. "Het hoofdkwartier was inderdaad duidelijk in hun orders. Dus ga je gang korporaal als je denkt dat je een oplossing hebt. Maar denk erom ik wil geen herrie en een hoop gezeik hebben na afloop, als we terug zijn."
Korporaal Zwijgers stond op. "Prima sergeant, straks zijn alle partijen tevreden. De gevangenen bij ons en het hele gebied gezuiverd van parachutisten." Daarna keek Zwijgers Wije aan en zei langzaam, terwijl hij zijn wapen op scherp zette. "Dat is een klus voor ons. Laten we gaan."
- - 0 - -
VAN DE DODEN GEEN LAST .

"Wat is je bedoeling met die para's?" vroeg Wije en keek van opzij de korporaal aan terwijl hij ook de veiligheidspal van zijn wapen naar voren zette. Zwijgers wilde niets zeggen en haalde alleen maar zijn schouders op.
Beide mannen keken over het bivak heen naar de para's die nog steeds aan de bomen vastgebonden waren.
"Wil je die knapen dan toch neerleggen?" bleef Wije aanhouden.
De korporaal bleef staan en keek Wije aan. "Houdt toch eens een keer je stomme opmerkingen voor je," reageerde Zwijgers nijdig. "Niet dat ik daar mee zit, maar wat dacht je van die dienstplichtigen. Grote kans dat ze later gaan lullen? We zitten er mee in ons maag en het interesseert mij niet als die gasten proberen te ontsnappen. We hadden eigenlijk niet zoveel gevangenen moeten maken." Zwijgers grijnsde even. "Alhoewel een gevangene altijd te weinig is, dan kan je niet checken of zijn informatie wel betrouwbaar is. Dat is zo klote juist, je hebt er altijd twee nodig. Maar er is best wel een andere oplossing voor ons probleem."
Wije lachte. "Wat een verhaal uit jouw mond. Je naam is Zwijgers, maar ik vind je nu toch wel erg langdradig. Normaal gesproken lul je weinig en doe je tenminste je naam eer aan." Wije grijnsde weer en zei. "Komop, dan gaan we die Peloppers halen. Ik weet al wat je bedoeling is. Op de flanken van het Fak-fak gebergte zijn die rotsholen waar we vorige maand tijdens patrouille langskwamen. Ik heb onderweg mijn ogen goed de kost gegeven. Daarom loop ik immers op spits."
De mannen liepen weer verder." Inderdaad," zei Zwijgers." Hooguit dertig minuten, komen ze nooit uit."
In het bivak heerste een bedrieglijke rust. Het kabbelen van het kleine riviertje maakte de mannen, die op dat moment weinig te doen hadden, loom en lui zaten ze voor hun optrekjes eten klaar te maken. Het grootste probleem voor dat moment was een vuurtje maken waar geen rook vanaf kwam, terwijl alles in het oerwoud nat was. De drassige grond dampte, net als hun bezwete uniformen die aan hun lichamen plakte. Door de bevoorrading in Bakku konden ze weer een tijdje vooruit met het weinige dat ze hadden. Al was er niet veel meer van over. De sokken gevuld met rijst en de blikken noodrantsoenen bestaande uit witte bonen en haring in tomaten saus. Dat gaf opnieuw blijk van weinig fantasie bij het Korps. Midden in de bush hachee of witte bonen. De combinatie alleen al. De mariniers hadden geen oog voor de schoonheid van het oerwoud maar waren alleen bezig met overleven in een voor hun vijandig gebied. Het riviertje nodigde uit tot een verfrissend bad maar door de aanwezigheid van de para's was daar volgens de sergeant geen denken aan. Het enige wat zij zich mochten veroorloven was snel langs de rand van de rivier hun kleding soppen terwijl anderen met hun wapens de omgeving onder schot hielden. Maar de mariniers hadden zo hun eigen manier om orders op te volgen en hun uniformen schoon te krijgen. Ze gingen gekleed in de kali liggen. Klote sergeant ook. Het liefst gingen ze op de vijand af die immers hooguit een half uur van hen vandaan met hetzelfde probleem kampte. Wel volop water en niet mandiën. Van Wije wisten ze dat de para's er slecht aan toe waren Ze zouden ze zo kunnen afknallen eer die gasten wisten waar zij, de mariniers, vandaan kwamen. Maar de sergeant wilde het zo terwijl ze wisten dat met enkele salvo's van hun zware wapens het hele zootje konden doden. Misschien kwam de korporaal wel met een goed voorstel. In Zwijgers hadden ze meer vertrouwen dan in Loppes. Eigenlijk was het nog te vroeg om al in bivak te gaan. Vier uur in de middag en de vijand op een half uur afstand klaar om afgeschoten te worden. Ze hadden er zin in. Dat was meer in hun gedachten dan de grootse schoonheid van de bush om hen heen. Het enige dat af en toe nog hun aandacht kon trekken was het doordringende geluid van een Paradijsvogel die hoog boven hen in de bomen zat. Ook de vele Kaketoes lieten zich niet onbetuigd en hun felle geschreeuw klonk boven alles uit. Ook konden ze geen varkens jagen om het eentonige voedsel aan te vullen. Dat trok ze eigenlijk wel. Eerst die para's te lijf gaan en dan varkens jagen in de dichte bush. Menige marinier zuchtte eens diep terwijl hij, met onderdrukt jachtinstinct, naar de dichte begroeiing keek. Dampig oerwoud met grote woudreuzen, bijna ondoordringbare kreupelhout en lianen waar je niet goed van werd. Nog erger dan kerstversiering. Het enige waar die groene slingers goed voor waren was het vocht dat erin zat. De schildwachten hadden zich in de harde grond ingegraven en maakten zich klaar voor een lange wacht voor de komende tijd. Normaal zaten ze een uur op post en waren dan twee uur vrij. Maar door de onderbezetting zou het wel weer een uur op en een uur af worden. Dat beloofde een lange nacht te worden met weinig slaap.
De marinier die de gevangenen moest bewaken deed alsof hij zat te suffen in de hoop dat ze zouden proberen te ontsnappen. Achter de para's had hij laag bij de grond een struikeldraad gespannen zodat de gevangenen niet ver zouden komen. Met schieten zou hij de vijand, die een half uurtje van hen af bivakkeerde, alarmeren. Daarom zou hij bij een ontsnapping zijn mes moeten gebruiken. Het zat los in zijn schede. Hij had wel gezien dat de para korporaal steeds aan zijn boeien zat te rommelen. Wel, met een beetje geluk zou hij proberen weg te komen. Dat was immers de plicht van elke soldaat. Ontsnappen, al zou dat niet meevallen met een touw om zijn ballen en enkels. Nee, hij zou niet ver komen.
Traag keek de marinier op toen korporaal Zwijgers en eerste klas Wije naar hem toe kwamen. "Waar is je maatje Emmers? Ik dacht dat jullie hier met twee man op post zaten."
"Derek maakt wat te eten klaar korp. Dat moet toch iemand doen, we hebben niemand over nu we ook die post aan de overkant hebben. Bovendien hebben de gevangenen nog niets gegeten. Niet dat ik daar haast mee heb, we hebben zelf al zo weinig nu we niet kunnen jagen."
De korporaal grijnsde. "Maak de gevangenen maar los, Emmers. We zullen jouw van al je zorgen bevrijden, kan je tenminste ongestoord eten. We gaan een stukje met ze wandelen."
Marinier Emmers keek vol verwachting naar de korporaal. "Gaat er eindelijk wat gebeuren korp? Ik baal van die gasten. We kunnen beter achter de rest aangaan." In een beweging stond de bewaker op en met zijn mes liep hij naar de gevangenen. Hij keek niet om toen hij de para's lossneed van de bomen en zei over zijn schouder. "U kunt beter niet teveel herrie maken korp, als u ze afschiet. U weet zelf dat er verderop nog meer van die gasten zitten."
"Je moet niet lullen marinier. Maak ze maar gewoon los."
Wije ging schuin achter de gevangenen staan om ze onder schot te houden. Hij zag dat de para's het niet vertrouwden. Hun ogen flitsten rond om eventueel een snel heenkomen te zoeken. Emmers wilde weer een opmerking maken maar snel zei Wije. "Smeer hem nou maar Emmers, je moet je niet overal mee bemoeien. Denk liever aan je kouwe prak."
Wije bukte zich en gaf het touw om de enkels van de gevangenen wat meer speling. Hun polsen liet hij gebonden waarvan het andere uiteinde in hun broek verdween met een lus om hun ballen. Hij porde zijn wapen in de rug van de para korporaal. "Oké, jalang, lopen jullie." Zelf ging Wije voorop en in linie verdween het groepje in het oerwoud. Ze vorderden slechts langzaam met de gevangenen die duidelijk moeite hadden in het ruige terrein. De para's konden slechts kleine stapjes maken door het touw dat om hun enkels zat. De tocht voerde de mariniers met hun gevangenen naar de uitlopers van het Fak-fak gebergte. De drassige bodem van het oerwoud werd steeds rotsachtiger. De dichte begroeiing lieten ze achter zich en maakte plaats voor open terrein waar de zon onbarmhartig weerkaatst werd door hoog oprijzende rotsen .
"Oké Zwijgers, de bajes in een natuurlijke omgeving. Het lijkt wel vakantie te worden voor die gasten." Wije bleef staan voor enkele schachten in de grond, waarvan de diepte niet te peilen was. "Wat nu? Donderen we ze gewoon naar beneden of wil je een zacht plekje voor ze uitzoeken?" Hij grijnsde en keek taxerend naar de gevangenen. "Maar laten we dan wel een beetje humaan zijn. Ze hebben nog maar zo kort."
"Grapjas, laten we liever kijken waar we ze veilig kunnen opbergen." Zwijgers liep naar de rand van een van de rotsholen en gooide een steen naar beneden. "Ik wil ze er weer levend uithalen Wije. Dus geen geintjes."
"Dan zal een van ons toch moeten afdalen om de zaak beneden te checken. Het zou lullig zijn als er beneden gangen lopen waardoor die gasten er zo weer uit kunnen lopen."
De korporaal keek Wije spottend aan. "We kunnen moeilijk een van hen de zaak laten bekijken en jij bent van ons het laagst in rang." De beide mannen knielden aan de rand van het gat en Wije gooide een lichtgranaat omlaag.
"Zag je dat. Een zij ingang zo'n vijf meter lager. Ideaal toch. Daar komen ze zelf nooit uit." Zwijgers stond op en rolde het klimtouw uit.
"Wel, als het aan mij ligt ook niet met hulp van mij." Wije keek in het rond en zei weer. "Maar we moeten het gat wel afdekken voor het geval ze teveel herrie maken." Rustig knoopte hij de lijn om zijn borst terwijl Zwijgers het andere eind om een rots heen sloeg. Langzaam leunde de marinier achterover en lopend langs de wand klom hij behendig omlaag. Inderdaad stopte de lijn na zes meter en gesmoord klonk Wije's stem.
"Ideaal Zwijgers. Ik knoop nu los, laat ze maar zakken die gasten."
Twee gevangenen werden aan de lijn omlaag gelaten. "Oké Zwijgers, laat nummer drie maar zakken. Ik begin honger te krijgen."
Korporaal Zwijgers maakte bij de laatste gevangene het touw om zijn enkels los toen de para hem met zijn schouder een harde stoot gaf en met grote sprongen de bushrand probeerde te bereiken. Maar Zwijgers was gelukkig niet helemaal uit balans en wist de man weer te over meesteren. Toch gaf deze zich nog niet gewonnen en probeerde met een duik weg te komen. Zwijgers ramde met zijn schouder de para in zijn maag die hard op grond neerkwam. De korporral nam geen risico en met zijn me naderde hij de soldaat. Maar voorzichtigheid was niet meer geboden. Dode ogen staarde hem aan.
Wije was net uit het hol geklommen en keek het tafereel aan en begreep het.
"Ja korp, een bedrijfsongeluk. Maar we kunnen hem hier niet achterlaten. Die andere gasten zitten goed en kunnen geen kant op. Jammer voor ze dat ze nog niet gegeten hebben. Alhoewel, dan hebben ze tenminste ook geen fut als ze toch iets proberen. Wat doen we met hem?"
De korporaal haalde zijn schouders op en zei rustig. "Gewoon omlaag donderen." Zwijgers grijnsde. "Hebben ze nog iets te eten als ze willen."
"Je hebt wel gevoel voor humor korp. Straks gebruiken ze zijn botten om eruit te klimmen."
"Over humor gesproken Wije. Zo is het wel genoeg."
De beide mannen hakten enkele stevige takken en legden deze over het gat. Daarna nog enkele struiken om verder af te dekken.
De tocht terug naar het bivak ging sneller nu ze langs de flanken van het gebergte omlaag moesten. Toch gingen ze voorzichtig voorwaarts. Geen geluid verstoorde de rust van het oerwoud en beide mannen leken volstrekt alleen te zijn.
"Ze zijn goed, hé, die jongens," fluisterde Wije en legde zijn hand op Zwijgers arm. "We moeten er bijna zijn. Laten we maar voorzichtig zijn voor ze ons afschieten." Bijna onhoorbaar gingen ze verder, in de nu snel invallende duisternis, tot Wije zijn arm opstak. Nog voorzichtiger dan eerst slopen ze in de richting van het bivak en de mannen hadden moeite om de wacht te vinden die de omgeving bewaakte. Ze keken elkaar aan en wezen alleen maar in de richting van het bivak. De marinier op post werd net afgelost en alleen daarom ontdekten ze de goed gecamoufleerde stelling. De beide mannen maakten opzettelijk veel herrie om hun nadering aan te kondigen. "Oké marinier, niet schieten. Zwijgers en Wije hier."
"Prima. Korporaal, Wije, kom maar verder." De marinier richtte voor zekerheid zijn wapen op de mannen tot ze in zicht waren. "Alles geregeld met de Peloppers?" Meurs keek hen nieuwsgierig aan.
"Kop dicht Meurs," zei de korporaal. "Straks hoor je alles. Blijf liever opletten. Wat nog nadert kan alleen vijand zijn."
Wije gaf Meurs een kameraadschappelijke tik op zijn hoofd, terwijl Zwijgers en hij doorliepen naar de sergeant die voor zijn tent zat. De volle maan die door het dichte bladerdak nog werd gefilterd, verlichtte vaag de silhouetten van de tenten en de mannen die er zacht pratend voor zaten. Loppes snoof eens diep zijn neus en schudde in het donker zijn grijze kop. "Iedereen is gewassen en geschoren en jullie stinken als zwervers. Ik verwacht van mijn kader dat ze het goede voorbeeld geeft. Breng eerst maar rapport uit, daarna verwacht ik dat jullie er wat aan doen."
"Wanneer ik straks even mag madien, graag," reageerde Wije deze keer glimlachend..
Wije keek naar opzij toen hij Zwijgers hoorde grinniken, maar dat weerhield hem er niet van om tegen de sergeant in te gaan. "Toen ik die para's lag af te leggen had ik gelijk met die gasten een duik kunnen nemen"
"Kop dicht marinier. Je hebt trouwens nog een geluk dat ik het nu niet alleen tegen jou heb." De sergeant draaide in het donker zijn hoofd naar Zwijgers. "Ja jij ook korporaal. Je kan nu wel een hoop herrie maken met dat lachen van je, maar dat geldt evengoed ook voor jou." De sergeant keek Wije weer aan en zei kortaf. "Doe wat ik zeg, verder geen praatjes." De sergeant schakelde over op een ander onderwerp en vroeg de korporaal. "En, die gevangenen? Veilig?"
"Een van de gasten probeerde te ontsnappen," antwoordde Zwijgers kortaf. “Het werd een gevecht en hij kwam daarbij om.”
"Is erbij geschoten?" De stem van de sergeant klonk ongerust. "Niet dat we hier iets hebben gehoord, maar we kunnen niet met zekerheid zeggen of er nog meer van die gasten in de buurt rondzwerven."
"Nee, het ging geruisloos. We hebben de gevangenen en de dode in enkele grotten gedumpt waar ze zonder ons niet uitkomen."
"Hier in de buurt? Jullie zijn wel lang weggebleven."
"Die rotsholen die we vorige maand ontdekten."
"Prima. Het lijkt me verder een duidelijke zaak. We gaan die gasten aanpakken. Maar nu lukt het niet meer. Het is te donker om met de jongens nog op stap te gaan."
De sergeant bukte onder de poncho en stak voorzichtig een sigaret op .
"Wat denken jullie?" vroeg Loppes terwijl hij met zijn handen de sigaret afdekte .
Het was Wije die hierop reageerde. "We moeten er vannacht nog op af om de boel te verkennen en voor te bereiden. Niet dat ik verwacht dat ze morgen verder trekken." De marinier stak ook voorzichtig, met zijn hoofd onder het zeiltje, een sigaret op. "Die gasten zijn veel te uitgeput. Langs de rivier staan klapperbomen en pisangstruiken. Ze blijven vast nog een dag bivakkeren om uit te rusten en eens goed te eten."
"En korporaal, wat denk jij?" De sergeant keek Zwijgers aan en duidelijk was dat hij niets zou doen zonder instemming van de korporaal .
"Wije heeft gelijk. We moeten die gasten aanvallen als het licht wordt."
"En jij wil er met Meurs op af?" De sergeant keek Wije weer aan. "Lukt dat met die jongen vannacht?"
"Ik denk dat we vannacht met drie man op pad moeten gaan. De korporaal en ik om de boel te verkennen en Meurs op de achtergrond. Die knaap kan niet de hele nacht op twee meter van een post in spanning zitten."
De korporaal knikte met zijn hoofd maar begreep toen dat de anderen dit in het donker niet konden zien. "Hopelijk dat het niet de hele nacht helder blijft. Die para's zullen ook drie posten uitzetten. Net als wij geen bivak langs de rivier , maar wel een post. We zullen stroomafwaarts de rivier oversteken om hun bivak besluipen en de posten uit te schakelen."
Het bleef even stil tussen de drie mannen. Geen geluid drong uit het bivak tot hen door en zelfs het oerwoud leek, op een enkele vogel na, te slapen .
Heel af en toe bewoog een zuchtje wind de kruinen van de bomen hoog boven hen. Enkele meters naast het bivak stroomde het riviertje. Maar dat was dan ook het enige geluid dat tot de mannen doordrong. "Wel mannen," begon de sergeant. "Gaan jullie nog maar even rusten. Ik wek jullie om middernacht." De beide anderen wilden net opstaan toen de sergeant weer zei. "Wije, ook voor jou is dit de laatste waarschuwing. Jullie stinken een uur in de wind en gaan je eerst opknappen. Ga desnoods in de kali liggen, maar doe er wat aan. Duidelijk?"
Wije wilde een opmerking maken, maar Zwijgers gaf hem een por, terwijl hij tegen de sergeant zei. "Het is beter als ik bij Wije onder zijn afdak kruip. Dan kunnen we nog even de plannen doornemen." Samen liepen de mannen weg van de sergeant. "Die klootzak," zei Wije nijdig. "Hij denkt dat we alleen met gepoetste schoenen de vijand kunnen pakken."
"Nee, jij bent een klootzak. Ga vannacht in de kali liggen, dan is iedereen tevreden," siste de korporaal. "Trouwens, je stinkt inderdaad."
"Heerlijk, houwe zo. Maar wat denk je trouwens van jezelf. De sergeant heeft gelijk, je stinkt als een zwerver," fluisterde Wije terug en gaf meteen een stevige stoot tussen Zwijgers ribben. Deze kreunde even. "Had je nog tegoed." Wije grinnikte zachtjes. "Ik heb vandaag van jou genoeg op mijn donder gehad om voorlopig geen bokstraining te doen."
Wije liet Meurs aflossen en de drie mannen lagen nog een tijd te kletsen. Eindelijk gunden zij zichzelf rust en legden hun hoofd op de rugzakken .
- - 0 - -
De hemel zag er dreigend uit waardoor de duisternis snel was ingevallen. Eigenlijk kwam het luitenant Doue goed uit nu het er op leek dat het zou gaan regenen, waardoor het bivak beter tegen eventuele waarnemingen beschermd zou worden. De snel stromende rivier overstemde ieder geluid, maar het stelde Doue niet gerust nu de mannen dachten nonchalanter te kunnen zijn. Hij had nog net kunnen voorkomen dat een van de soldaten met zijn kapmes een klapper wilde klieven. Maar eigenlijk kon de jonge officier niet overal tegelijk zijn. Hij miste niet alleen de sergeant die bij de eerste actie zo goed als zeker gedood was. Toen de sergeant zich op het rendez vous niet meldde kon hij er zeker van zijn dat deze niet zomaar als vermist beschouwd kon worden. Maar hij miste ook de korporaal die, na het vuurcontact die middag, niet meer was komen opdagen. Het behoorde tot de tactiek van de para's om voor iedere actie een verzamelpunt af te spreken, mochten ze uiteen geslagen worden. Vanaf nu stond hij er helemaal alleen voor. Korporaal Maluwa was een rustige man geweest, maar toch hadden hij en zijn soldaten veel vertrouwen in hem.
Opnieuw dreigde luitenant Doue te vervallen in een somber gepeins. Maar hij schudde alle sombere gedachten van zich af en stond vastberaden op.
Voor de laatste maal die avond controleerde de officier het bivak dat hij met zijn mannen had ingericht. Veel mensen, om bivak te beveiligen, had hij niet meer. Het bivak was ook niet erg tactisch gebouwd in dit vlakke terrein. Meestal richtten de para's hun bivak in volgens een vast systeem van drie ringen, op verschillende hoogtes. Doue lachte wrang. Wat maakte het ook eigenlijk nog uit dat hun bivak tactisch niet in orde was. Ze waren toch al met te weinig mensen. Niet meer dan elf man. Maar als het in de bergen ging regenen zou de rivier woest genoeg worden om bescherming te bieden tegen een onverwachte aanval. Daarom had hij aan de kant van de rivier slechts een post ingericht. Dat moest genoeg zijn. Opnieuw trok een smalend lachje over het gezicht dat in korte tijd zoveel ouder was geworden. Hij wist dat het einde in zicht was ondanks zijn plan om zijn mensen door het Fak-fak gebergte te brengen. Hij had zijn soldaten nog niet ingelicht dat hij zich wilde gaan overgeven. Maar niet aan die verdomde Orang Marinier. En die veilige rivier? Hij had voldoende ervaring opgedaan om te weten dat er voor die mariniers niets onmogelijk was. Daarom had hij twee van zijn beste mannen de omgeving laten verkennen. Ze hadden nog een rivier gevonden, maar volgens hen was alles veilig. Niets wees volgens hen op vreemde aanwezigheid. Geen mariniers te bekennen.
Zou hij dan toch gelukt zijn om, na het dramatische vuurcontact, de mariniers af te schudden? Urenlang had hij zijn mensen door de rivier laten ploeteren om elk spoor uit te wissen.
Luitenant Doue slaakte opnieuw een diepe zucht. Het zou de zoveelste zware nacht worden. Snel dronk hij nog wat van de versterkende klappermelk. Hij zou de eerste wacht in de commandopost lopen. Twee uur op en een uur af. Elf man om drie posten te bezetten. Langzaam maakte de officier een rondje door het bivak. Niet meer dan enkele met palmbladeren afgedekte verhogingen. Had hij nog maar enkele granaten, dan kon hij boobytraps plaatsen als extra beveiliging. Maar zelfs dat hadden ze niet meer. Niet meer dan vier automatische wapens. Van alles veel te weinig om nog langer een oorlog uit te vechten. Nooit eerder verlangde luitenant Doue zo naar het eerste ochtendlicht .

Af en toe bewoog een stevige wind de bomen en struiken waardoor het zachte ruisen van de kleine rivier, die tussen de rotsachtig bedding stroomde, naar de achtergrond werd verdrongen. Enkele wolken dreven voor de maan waardoor alleen de vage silhouetten van de mannen, die direct naast hen zaten, te zien waren. De omgeving was in zo'n duisternis gehuld dat het bivak van de aardbodem verdwenen leek en zelfs het geluid van de nachtvogels was verstomd. De sergeant had de drie mannen precies om middernacht gewekt en gapend maakten ze zich gereed voor hun nachtelijke tocht door vijandelijk terrein. Hun zware schoenen lieten ze uit en alleen gymschoenen trokken ze over hun in kousen gestoken voeten. Hun broekspijpen omwikkelden ze met touw om alle geluid van het schuren tijdens hun nachtelijke sluiptocht te voorkomen. De vechtmessen bonden ze vast aan hun dijbenen. Hun enige wapens waren de Uzi machinepistolen. Reserve munitie in de grote zakken van de strakgebonden broeken. Daarna maakte ze hun gezichten, hals en handen zwart met camouflagestiften. Hun horloges aan de binnenkant van hun pols om elke schittering te voorkomen. De drie mannen waren er klaar voor om op verkenning uit te gaan. Het zou een lange nacht worden als ze bij het vijandelijk bivak hun posten in gingen nemen.
"Onze post langs de rivier op de hoogte?" vroeg Zwijgers aan de sergeant
"Alles is geregeld," fluisterde Loppes terug. "Jullie kunnen veilig oversteken."
De mannen draaiden zich om, maar de sergeant zei nog. "Doe rustig aan mannen, jullie hebben nog ruim vijf uur voor het licht wordt." De sergeant leek even te aarzelen terwijl hij de marinier eerste klas aankeek. "Wije, dat geldt ook voor jou. Geen onnodige risico's. Succes."
Zwijgers zei kortaf. "Wije, op kop. Meurs achter mij. Nu koppen dicht."
Achter elkaar liepen de drie mannen naar de kleine rivier. Gesproken werd er niet meer. Nog slechts af en toe een hand op de schouder van de ander. Een simpel gebaar was genoeg om duidelijk te maken wat de bedoeling was Nog even klonk er het geluid van opspattend water en waren hun schimmen bij het oversteken van de rivier te zien. Toen slokte het donkere oerwoud hen op.

Bron: Gerard Zikking

 Jump to forum   Jump to topic

Geplaatst: Za 19 Aug 2017, 15:19 

https://s17.postimg.cc/xt0sc8amn/image.png

PATROUILLEREN VOOR DE PAPOEA’S

DEEL 9


MARINIERS MOORDEN NIET, ZIJ DODEN

Bijna geruisloos bewogen de mannen door het duistere oerwoud. Hoe meer ze de tweede rivier en het vijandelijke bivak naderden des te voorzichtiger bewogen hun voeten. Met hun gympen tastten ze de grond af om daarna pas hun voeten neer te zetten. Hun armen hielden ze voor hun gezicht om laaghangende takken opzij te duwen, hielden deze even vast voor de volgende man en gingen dan weer verder. Eindelijk klonk het donderend geraas van de andere rivier en ze konden zich even permitteren om zich vrijer te bewegen en te ontspannen. Eindelijk bereikten ze de open plek en toen pas voelden ze de regen. Rustig knielden ze in de bosrand en bespiedden de andere zijde van het water. Wije was de eerste die de vijandelijke post zag. Rustig legde hij zijn hand op Zwijgers schouder. Hij strekte zijn arm en stak een vinger op. "Nummer een." Door het geraas van de rivier konden de mannen het zich wel permitteren om met elkaar te praten. "Wat een klootzakken. Precies op de open plek langs het water achter die rotsen. Voor ons prima om hem te naderen." De mannen trokken zich enkele meters terug het oerwoud in.
"Meurs, jij blijft hier. Wije en ik gaan stroomafwaarts de rivier over en zoeken de andere posten. Daarna kom ik terug." De korporaal keek Meurs aan. "Het kan wel een tijd duren, oké?"
Meurs zei niets en ging in de bosrand in stelling. Ook voor hem zou het een lange nacht worden. Wachten. Voor hem het ergste dat er was .
De korporaal en Wije trokken nog verder terug het oerwoud in en volgden de nu woeste rivier stroomafwaarts. Aangelijnd staken ze over naar vijandig gebied. Opnieuw werd er niet gesproken. Een enkel gebaar was voldoende.
De regen nam toe en grijnzend keken de mannen elkaar aan toen ze een kleine open plek bereikte. Voorwaarts ging het weer. Ze naderden het bivak van de para's en langzaam zakten ze op hun knieën. Met hun handen legden ze elk takje opzij en waren dankbaar voor de regen die steeds harder omlaag kwam. Elk ander geluid werd gesmoord door de herrie van de tropische bui. Toen zagen ze hem. Een nauwelijks waarneembare gloed. De post zat diep weggedoken in zijn putje onder zijn regenzeiltje en permitteerde zichzelf een sigaret. Maar voor de mariniers voldoende om hem tot op twee meter te naderen. Het was een enkele man. Volkomen onopgemerkt kropen beide mariniers weer naar achteren. Zwijgers gaf opnieuw een teken. Wije kroop nog verder terug, terwijl Zwijgers met een boog de post passeerde en naar het bivak sloop. Het leek uren te duren. Ook Wije was opnieuw in beweging gekomen. Op zijn buik schoof de marinier voorwaarts. Elk takje, dat zijn tastende handen tegenkwamen, legde hij opzij. Geen geluid van zijn voortbewegende lichaam verbrak de stilte. Alleen het alles overheersende geluid van de neerstromende regen was zijn metgezel. De marinier was nooit eerder in zijn leven zo blij met dit geschenk uit de hemel. Opnieuw leek er geen einde te komen aan zijn tocht door de duisternis, maar toen lag de eenzame marinier midden in het bivak naast de commandopost. Door een para bemand. Daar wachtte de marinier op het aflossen van de posten. Tot zijn verbazing zag hij dat slechts twee man gingen aflossen. De man in de commandopost liep waarschijnlijk dubbele wacht. Een liep naar de rivier, de ander naar de post die hij was gepasseerd. Hij wist voldoende, wachtte nog een tijd en kroop terug naar de korporaal. Opnieuw was een enkel gebaar voldoende en beide mannen zochten de rivier op en staken deze over. Terug bij Meurs hielden ze een korte bespreking.
"Oké Meurs, het is nu tijd voor jou. Je hebt nog twee uur voor het licht wordt." De korporaal legde zijn hand op de schouder van de Limburger. "Dat moet voldoende zijn. Ik blijf hier op jullie wachten, Wije gaat terug naar het bivak van die para's. Jij brengt de sergeant en de mannen tot hier. Oké?"
Meurs grijnsde even, iets dat in de stromende regen slechts vaag te zien was. Daarna stond hij op en verdween in het oerwoud. Voor de korporaal en Wije werd het weer een tijd van wachten. Maar dat waren deze nu wel gewend. Een groot deel van hun acties bestond uit wachten.

Zo snel hij kon, maar zonder al teveel herrie te maken, ging Meurs terug naar hun eigen bivak. Bij de rivier wachtte hij even en zijn ogen zochten de post die net binnen de bushrand langs de rivier moest liggen. Zachtjes naderde hij. "Meurs hier," riep hij niet al te hard. "Niet schieten, ik kom eraan."
"Oké Meurs, kom langzaam naar voren tot ik je kan zien." Het was de gedempte stem van de sergeant en langzaam liep Meurs naar voren. Hij hoorde de klik van een veiligheidspal die werd omgezet. "Prima Meurs, ik zie je. Kom maar verder.” Meteen kwam de sergeant, die bij de schildwacht had gelegen overeind en samen gingen ze naar het bivak.
"Goed gedaan marinier, wees blij met deze regen. Moet je koffie?" De sergeant pakte de kan koude koffie en schonk voor beide in. "Zeg het maar."
"Twee posten, sergeant. Een langs de rivier op 'n open plek. Een tweede landinwaarts precies aan de andere kant. Plus de commandopost."
"En de korporaal?"
"Die wacht ons op aan de rivier." Meurs was blij met de koffie en vroeg de sergeant om een sigaret. Die van hem had hij niet meegenomen omdat er op zo'n tocht niet gerookt kon worden. Met zijn mes maakte hij een schets van het bivak. "Ze hebben geen tenten sergeant, maar slapen op verhogingen onder palmbladeren. Wije ging terug naar de post aan de andere kant van het bivak. Om precies tien over vijf maakt hij de post onschadelijk. Ze lossen elkaar op de hele uren af."
"Prima werk van jullie. Ik ga de mannen porren, maak je uitrusting in orde. Over een 15 minuten trekken we hier weg." De sergeant keek op zijn horloge en liep langs de onderkomens van zijn mensen. Enkele minuten later heerste er grote bedrijvigheid in het bivak. Slaperige zaten de mannen voor hun tenten en inspecteerden hun wapens. Snel werd er nog een bak warme koffie gedronken. Ze konden het zich nu wel permitteren om kleine vuurtjes te stoken om nog iets warms naar binnen te werken.

Terwijl de mariniers in hun eigen bivak bezig waren zich gereed te maken voor de aanval hielden de korporaal en Wije zich schuil in de bosrand. Ze konden de vijandelijke post aan de andere zijde van de rivier duidelijk zien toen deze werd afgelost. Grote rotsblokken zouden Zwijgers voldoende dekking geven als deze de rivier zou oversteken. Bijna tot aan de post lagen deze verspreid langs de oever. Zolang het bleef regenen zou het niet al te moeilijk zijn om de para op de andere oever te besluipen. Beide mannen keken tegelijk op hun horloge. De korporaal stak zijn hand op en wees naar de overkant. Nog steeds kwam de tropische bui met bakken naar beneden en ook het lawaai van de wild stromende rivier smoorde elk geluid. Maar de mannen waren er niet minder voorzichtig om. Beiden stonden op en met een grote boog naderden zij het wild kolkende water. Rustig bond de marinier een lijn om zijn middel. De mannen keken elkaar aan, schudden handen en voorzichtig liep Wije het water in. Door de vele regen stroomde deze zo hard dat hij bijna werd meegesleurd. De korporaal hield de lijn strak en vierde langzaam mee terwijl de marinier zich van rotsblok naar rotsblok bewoog. Eenmaal aan de overkant maakte Wije los, keek nog eenmaal achterom en verdween in het oerwoud . Een vreemde spanning maakte zich van hem meester nu hij volkomen op zichzelf was aangewezen. Het was niet zijn eerste actie om een vijandig bivak te besluipen, maar nu was hij erop uit om de post onschadelijk te maken. Meestal bestonden zijn eenzame acties uit het verkennen van de vijand die zich had ingegraven. Maar nu was het noodzakelijk om de eerste klap hard uit te delen zodat de aanstormende mariniers door hun geringe aantal niet op onverwachts verzet zouden stuiten. Op zijn buik naderde hij de vijandelijke post. Elk takje opzij leggend die zijn tastende handen vonden. Tot op twee meter afstand naderde hij de para, die zich van niets bewust onder zijn poncho schuilhield. Half vijf.

De sergeant liet geen van de mariniers als bewaking in het bivak achter. Ze hadden immers elke man hard nodig, al zouden ze de vijandelijke parachutisten in hun slaap verrassen. achter elkaar lopend trok de kleine eenheid door het oerwoud dat door de vele regen was veranderd in een grote modderpoel.
Takken striemden de mannen in hun gezicht en af en toe klonk er een nauwelijks onderdrukt vloeken. Het tempo lag hoog nu ze alleen maar hun wapens en patroon gordels bij zich hadden. Glibberend over natte boomstammen die hun weg versperden gingen ze voorwaarts in een bos waar ze zelfs de man voor hen niet konden zien. Toen ze halt hielden was het dan ook ineens en de mannen botsten tegen elkaar. Maar nu werd er niet gevloekt. De goed getrainde mariniers wisten dat ze de vijand naderden en automatisch zochten ze dekking in de prut. Zelfs Zwijgers, die nog steeds bij de rivier lag, had de mannen niet horen aankomen.
"Zwijgers, hoe is het. Zijn er nog veranderingen?" De sergeant kroop op zijn buik naar voren en tuurde over het water. "Het is te hopen dat het nog een tijd blijft regenen."
De korporaal reageerde hier niet op en wees met zijn arm naar de post aan de andere kant van de rivier. "Hij ligt daar, precies achter die grote rotsblokken. Ik ben bij hem voor hij weet wat hem overkomt."
"De rivier stroomt te hard door al die regen."
"Ik heb mijn route al uitgezet. Iets stroomopwaarts steek ik over en nader van achter. Daar heb ik prima beschutting door al die rotsblokken."
"Het zijn klootzakken dat ze hun post langs de rivier hebben. Ze voelen zich nogal zeker, terwijl ze kunnen weten dat wij ook in dit gebied zitten. De rivier overstemt ieder geluid. Het zijn klootzakken," herhaalde de sergeant terwijl hij op zijn horloge keek.
- -0 - -
Volkomen onbeweeglijk lag Wije op zijn buik. Hij grijnsde toen hij de aansteker hoorde en de gloed zag van het oplichten. De man deed moeite het gloeien af te dekken. Steeds opnieuw lichtte een vage gloed op als de para een trek van zijn kretek nam. De post had zijn poncho over het putje heen gelegd , maar het kleine spleetje waar hij doorheen gluurde verraadde elke handeling. De seconden gleden eindeloos traag voorbij. De sigaret werd gedoofd. Wije voelde het zweet op zijn rug ondanks zijn, door de regen, natte uniform. Eindelijk de aflossing. De para's voelden zich volkomen veilig. Duidelijk verstaanbaar hoorde Wije. "Slamat tidur," tegen de afgeloste post zeggen, toen deze uit het putje kroop. Heel even zag Wije het gezicht van de man die zijn plaats innam. Een jonge kerel. Misschien van zijn leeftijd of zelfs jonger. Wije lag op nog geen meter van de stelling en besefte dat het niet langer een volkomen onbekende was. Dat gezicht. Zijn eigen mannen waren van die leeftijd. Toen waren Wije en de para in de stelling, alleen. Drie minuten over vijf. Volkomen geruisloos gleed Wije naar voren. Opnieuw bleef hij stil liggen. Zes over vijf. Nog vier minuten over. Strekte een arm. Hij trok zijn benen onder zich om af te zetten.

"Oké Zwijgers, tijd voor jou. Moet je niemand mee hebben?" De sergeant keek de korporaal niet aan, maar bestudeerde aandachtig de andere kant van de rivier. De post zou over dertig minuten afgelost worden en die tijd had de korporaal hard nodig om tot actie over te gaan. Het regende nog steeds hard. Niet dat dit geluid, zo dicht bij de rivier belangrijk was, maar de vijand zou wel zijn kop weghouden. Ondanks de grote afstand, ruim twintig meter, zagen ze af en toe het oplichten van een aansteker. De mariniers begrepen dat niet. De para's waren goed getrainde lui en toch rookten ze op hun post.
"Die klootzakken voelen zich wel verdomd zeker," mompelde de sergeant. "Ze verdienen het gewoon om te sterven." De sergeant grijnsde zelfs even toen hij zei. "Dat zal die Tor van een Wije wel bevallen. Een rokende para in zijn eigen sigaret laten stikken."
De sergeant voelde zich onbehaaglijk zo vlak voor de actie. Hij had al teveel doden gezien. En de meeste nog zo jong. Voor hem hoefde het allemaal niet meer. Maar wat kon je anders, zo vlak voor een pensioen van dertig dienstjaren. Hij zelf wilde zeer zeker niet sterven. Wanneer had hij in zijn leven nou eigenlijk tijd gehad voor zijn vrouw. Zelfs de kinderen waren al de deur uit zonder dat hij ze echt had zien opgroeien. Het liefst blies hij de hele actie af. Of wilde het in ieder geval aan zijn korporaal overlaten. Maar ja, het hoofdkwartier. Die beslisten anders. Hij, sergeant Loppes, moest de vijand opruimen. En dat twee jaar voor zijn pensioen. De sergeant ordende zijn gedachten weer en hoopte maar dat de ongerustheid niet te horen was toen hij de tactische vraag stelde. "Weet je zeker dat er maar, buiten de commandopost, twee andere posten zijn? Anders lopen de jongens straks tegen zwaar vuur aan."
Zwijgers begreep wat er in zijn maat omging. Zelf was de korporaal, na zijn scheiding, niet meer getrouwd. Hij ging te vaak en te graag met de vrouwtjes naar bed. Een nieuw huwelijk zag hij dan ook niet meer zitten. Hij zag al teveel echtscheidingen bij het Korps. Bovendien moest hij, nee kon hij, nog tien jaar dienen. En misschien was dit wel de laatste echte oorlog die Nederland nog voerde. Hij wilde daaraan meedoen. Maar ja, de sergeant. Die wist amper nog hoe zijn vrouw en kinderen eruit zagen, laat staan kennen. Die kerel zat twee jaar van zijn pensioen af. En wie wilde er dan nog sterven ?
Hij legde zijn hand op de schouder van de sergeant. "Zit wel goed kameraad. Wije en ik pakken de posten op de afgesproken tijd. Wije wacht nog tien minuten en schakelt de para bij de commandotent uit. Hij geeft je een rood signaal en zorgt dat hij uit de vuurlinie komt. Dan steek je de rivier over. Om half zes precies vallen jullie aan." De korporaal zweeg een tijdje terwijl hij opnieuw de overkant bespiedde. Toen pas zei hij zachtjes. "En doe mij een plezier, blijf een beetje in de achterhoede." De korporaal meende zijn woorden. Mariniers lullen niet zomaar wat. Maar korporaal Zwijgers dacht wel bij zichzelf. Wat zit ik nu toch te slijmen. Maar ja, het is een ouwe kameraad, die een oppeper nodig heeft. "Verdomme," dacht hij ineens. "Naar de hel met iedereen. Er is werk te doen."
Loppes zei niets meer en gaf met zijn hand alleen maar een teken aan de korporaal dat deze moest gaan. Zwijgers kwam overeind en terwijl hij in de bushrand bleef sloop hij gebukt weg. Ook hij was er klaar voor op zijn opdracht uit te voeren. Doden op de korte afstand.
Met alleen marinier Grient, begaf Zwijgers zich weer naar de kolkende rivier, Knoopte de lijn om en gaf Grient een seintje deze langzaam te vieren. De stroom was wild en met moeite hield de korporaal zich vast aan de rotsen. Het water kolkte en af en toe werd hij bijna meegesleurd. De marinier die de lijn moest strak houden dacht door de kracht van het trekkende water een teken van de korporaal was om te laten vieren. De glibberige rotsen boden weinig houvast en ineens verloor Zwijgers zijn evenwicht. Hard werd zijn lichaam meegesleurd en verdween onder water. Hij sloeg tegen een rots, wist zich vast te klemmen en zag dat hij opnieuw met zijn oversteek moest beginnen. Met al zijn kracht, vechtend tegen het kolkende water dat aan zijn lichaam trok, wist de korporaal zich op een rots te trekken. Zwijgers oriënteerde zich en zag dat hij precies tegenover de vijandelijke post om de rots lag. Het viel niet meer te veranderen en klimmend langs en over de rotsen ging hij voorwaarts. Eindelijk kwam hij in rustiger water, boog af naar rechts en kroop op de kant. Uitgeput bleef hij een tijdje liggen tot zijn ademhaling weer normaal was. De aangebonden lijn hing nutteloos in het water, maar hij zekerde deze toch mocht het andere uiteinde alsnog vastzitten. Ondanks zijn situatie moest hij grijnzen, wat volgens hem een goed teken was. Hij zou de Grient eens flink op zijn donder geven omdat deze zijn korporaal bijna had laten verzuipen. Opnieuw oriënteerde Zwijgers zijn positie. Hij zat een flink eind van de vijandelijke post vandaan met nog tien minuten voor hij in actie moest komen. Tien minuten maar? Zwijgers schrok ervan en begreep dat de rivier teveel van zijn tijd had gekost. Op dat moment zag hij de posten wisselen en maakte gebruik van hun onoplettendheid. Snel bewoog hij zijn pijnlijke lichaam, onder bescherming van de rotsen langs de rivier, naar voren. Toen dook hij weg. Maar slechts voor enkele minuten. De afgeloste wacht riep nog iets naar zijn makker en verdween in het oerwoud. De korporaal had nog vijf minuten. Opnieuw bewoog hij op zijn buik naar voren. De laatste rots tussen hem en de vijand die onder zijn poncho zat weggedoken. Hij kon hem al bijna aanraken.

Sergeant Loppes tuurde ingespannen over het water toen eerste klas Van Dalen zich naast hem tussen de struiken liet zakken. "Grient is terug, sergeant."
"Prima, dan kunnen we ons gereed maken." Loppes draaide zich niet naar de marinier toe, maar bleef de vijandelijke post in de gaten houden. Hij zag de aflossing, maar verder niets .
"De lijn sergeant..." begon Van Dalen .
"Wat is er met die lijn?" Loppes wilde verder niet gestoord worden en kroop naar achteren om zijn mannen te waarschuwen .
"Grient heeft de lijn laten schieten."
"Godverdomme," vloekte Loppes die gewoonlijk zulke termen niet gauw gebruikte. "De klootzak. Dat zal Zwijgers fijn gevonden hebben." Talloze gedachten gingen door zijn hoofd. "Wat verdomme, als Zwijgers het niet gehaald heeft?" siste hij tegen de eerste klas. Het begon te spoken in zijn hoofd. "Inderdaad," dacht de sergeant. "Wat als Zwijgers de wacht aan de overkant niet heeft uitgeschakeld. Zijn mannen, zijn eigen leven, ze renden de dood in als de post op de andere oevers niet was uitgeschakeld." De sergeant bestudeerde peinzend de andere oever. "Ik moet het afgelasten," mompelde hij voor zich uit.
"De korporaal is goed sergeant. Hij heeft het wel alleen gered. Al die rotsblokken in de rivier geven hem genoeg kansen zichzelf te redden." Van Dalen keek naar opzij, maar begreep de twijfel van de sergeant. Al vond hij Loppes een klootzak, diezelfde klootzak wilde zijn mannen en vooral zijn eigen leven niet in gevaar brengen. "Mijn god," dacht de sergeant. "Wat moet ik beslissen?"
- - 0 - -
Ineens miste Wije iets. De plensbui was opgehouden en af en toe druppelde het nog na. Tussen de takken van de bomen drong af en toe het licht door van de gesluierde maan. Ook de vijandelijke para hoorde niet langer de neerslaande herrie van de regen en trok zijn zeiltje weg. Wije lag met zijn hoofd bijna in de modder en gluurde naar de man. Toen hoorde hij opnieuw de aansteker. Enkele malen achter elkaar, maar hij vlamde niet op. Totaal onverwacht kroop de para uit zijn putje. De man wilde naar het bivak lopen. Tussen de marinier en de para, het putje. Het leek één beweging die Wije maakte. De man deed een stap. De marinier sprong met zijn knie in de rug van de para en rukte het lichaam naar achteren. Zijn linkerhand op de mond smoorde elk geluid terwijl hij met zijn schouder het hoofd naar voren ramde. Wije voelde het breken van de nek meer dan hij hem hoorde. Toen liet hij de para omlaag glijden. Heel even bleef de marinier liggen, toen ging hij op zijn buik verder het bivak in. Naar de commandopost.
- - 0 - -
De regen was opgehouden, maar het donderende geraas van de rivier overstemde elk geluid. De para gooide zijn poncho naast het putje en kroop omhoog. Lui strekte hij zich op zijn buik uit, op het zeiltje.
Het was eenvoudig. De korporaal liet zich naar voren vallen en het mes drong, schuin naar beneden, diep tussen de schouderbladen naar binnen. Zwijgers bleef een poosje liggen en tuurde over de rivier waar zijn eigen mensen zich bevonden. Hij dacht terug aan zijn oversteek door het wilde water en de slappe lijn. Hij moest niet vergeten Grient flink op zijn donder te geven Ineens drong het tot Zwijgers door dat de sergeant de melding moest hebben gekregen dat de lijn was losgeschoten. Met alle risico's die erbij hoorde .Loppes zou misschien twijfelen. Natuurlijk zou Loppes twijfelen. Denkend dat de korporaal met het water was meegesleurd. Hij zou de aanval afgelasten. Zwijgers keek op zijn horloge. Nog vijf minuten, dan zou Wije het signaal geven en de sergeant zou niets doen. De korporaal ordende zijn gedachten. Hij moest iets doen om de aandacht te trekken. Nog vier minuten. Op zijn buik sloop Zwijgers tot voor het bivak, wachtend op het rode signaal.

De sergeant had nog geen beslissing genomen. Zijn mannen lagen langs de bushrand gereed om "iets" te doen. Van Dalen lag naast de sergeant en beide mannen wachtten op het signaal.
"Als ik niet oversteek," dacht Loppes: "Begrijpt die stomme Wije hopelijk dat er iets mis is en terugkeren. Eerst kijken of we Zwijgers ergens langs de kali kunnen vinden. Dan naar het bivak, breken op en trekken ons terug. Maar mariniers vluchten niet. Nee verdomme, die trekken tactisch terug. Maar wat als de korporaal het toch flikte zijn post uit te schakelen? Dan bracht hij beide mannen in gevaar. Het was moeilijk."
"Kijk sergeant," onderbrak Van Dalen zijn gedachten. "Het signaal."
Tussen de bomen lichtte het vage rood puntje op van een afgedekte lantaarn .
"Godverdomme," siste de sergeant die al zoveel had meegemaakt.
"Sergeant, het licht komt naar voren."
De sergeant kneep zijn ogen tot spleetjes, tuurde naar de overkant en keek toen omhoog naar de laatste wolkjes die voor de maan wegtrokken.
Het rode lichtpuntje bewoog zich zijwaarts, naderde langzaam de oever en bewoog verder in de richting waar de vijandelijke post moest zijn .
Toen brak de maan door de wolken en verlichte de oever waar beide mariniers langzaam naar het water liepen.
"Godverdomme," vloekte de sergeant nogmaals. "Het is ze gelukt, die kloothommels."
"Oké mariniers," gaf de sergeant door naar achter. "De rivier over. En snel." Geheel overbodig liet de sergeant erop volgen. "En koppen dicht, voorwaarts."
Marinier Sijne, de gewezen betonvlechter greep de lijn en begon de oversteek. .Meurs, volgde als tweede zijn maat. Toen volgde de rest van de eenheid langs het gespannen touw. Het was ondanks de lijn een gevecht tegen het wilde water dat kolkend aan hun lichamen rukte. Toen gebeurde het ongeluk. Weer was het marinier Grient die een onvergeeflijke fout maakte. Zijn wapen stond al op scherp toen hij in de golven verdween en de schoten alarmeerden de vijandelijke parachutisten. Gelukkig was marinier Grient de laatste die de rivier overstak. In een golf van rennende en struikelende lichamen bestormden de mariniers, die op de oever gereed lagen, het bivak. Het werd een snelle, harde actie. Enkele para's gaven hevig tegenvuur maar konden niet voorkomen dat de meeste van hen sneuvelden. Twee Peloppers werden gevangen genomen. Ze waren goed, die jonge mariniers. Zelf hadden ze, op marinier Grient na, geen enkele dode of gewonde. En zelfs deze marinier was er alleen maar vanaf gekomen met enkele blauwe plekken en schaafwonden. Dus eigenlijk hadden ze dus toch nog een gewonde. Maar ja, daar stonden ze niet al te lang bij stil. Grient was nu eenmaal een klootzak.
"Oké mariniers," brulde Loppes krachtig. "Van de doden geen last. Begraaf ze maar, ze stinken nu al." Ja, Loppes was een goed marinier .

Bron: Gerard Zikking

 Jump to forum   Jump to topic

Geplaatst: Di 05 Sep 2017, 00:40 

Het verhaal van de 43ste infanterie compagnie
Een bijna vergeten eenheid in Nieuw Guinea
DE MARINIERSFABRIEK
DOOR
GOD VERLATEN



Gerard H. Zikking


DE BERG

De alles verzengende hitte van de middagzon deed het asfalt van het exercitieterrein zinderen. Nog had de zon zijn hoogste punt niet bereikt. Geen zuchtje wind bereikte het kamp dat op de hellingen van het Cycloop gebergte was gebouwd. De twaalfhonderd meter hoge berg, bedekt met tropisch woud. Afgewisseld met een bijna ondoordringbare begroeiing van kreupelhout in de modderige bodem. Het geheel wekte de indruk van verkoeling wat normaal in tropisch gebergte ook juist is. Maar niet deze berg. Het was een ware hel en het grootste genoegen van de commandant van het kamp was om zijn mensen, die geen mensen waren maar mariniers, in nodeloos veel herhalingen tegen de flanken omhoog te jagen. Maar niemand van deze mariniers durfde hardop het woord, nodeloos, te gebruiken. Alles in het Korps had zijn nut. Zeer zeker om in de groene hel op de flanken van deze berg glibberend en glijdend zich een weg omhoog te vechten. Een bijna onmogelijke taak. Maar dat het mogelijk was bleek iedere keer weer opnieuw. Ondanks hun zware rugzakken, heen en weer slaande helmen en het gewicht van de infanteriewapens. De mariniers raakten eraan gewend om tegen deze duivelse berg te vechten. Ondanks de modder, de ontelbare insecten en het ergste nog de hitte die hun kelen dichtschroeide en hun smerige uniformen aan hun bezwete lichamen liet plakken.
De laatste ingeving van de sergeant was om een boomstam in zijn geheel tegen de flanken omhoog te brengen. Maar het was geen boomstam. Dat had de sergeant al duidelijk gemaakt . Nee, dit was een Land Rover. Niet dat er op de hoogste top een weg aangelegd was waardoor het voertuig zelf omhoog of weer omlaag kon rijden. Nee, omhoog en omlaag gebeurde met touwen die de handen van de
mariniers stuk brandden, maar het was goed om teamverband te smeden. Bovendien en dat was nog het belangrijkste, de commandant van een peloton hoorde, volgens de sergeant, hoorde niet te lopen. En de mariniers moesten daarvoor zorgen. Natuurlijk bestond er een weg op de berg. Deze weg bestond uit een modderig pad dat de vele uitglijdende schoenen van de mariniers veroorzaakt hadden. De dagen ervoor waren ze bezig geweest om zich met hun last naar boven te vechten. Alleen 's nachts hadden ze rust gehad. Maar deze rust bestond uit vele soorten van alarm oefeningen. Er werden vijandelijke infiltranten waargenomen, of parachutisten waagden het om bij nacht af te springen. En dat nog wel terwijl zij, mariniers, de berg al bezet hadden. Eindelijk dachten de mariniers dat zij het zich konden permitteren om hun gebroken lichamen op niet meer dan een grondzeiltje uit te strekken. Maar de sergeant had nog een goed idee. Gasalarm, midden in het oerwoud van deze stinkende berg. Natuurlijk mochten ze gaan slapen. Alleen voor de zekerheid met gasmaskers op. De dood kwam immers reukloos.
Nauwelijks op de top, was er tijd voor een snelle hap, om daarna weer de berg af te gaan. Het hoorde bij de doelstellingen van het Korps Mariniers om van mensen, mariniers te maken. En majoor Daal had prima onderofficieren om hem in deze zware taak bij te staan. Maar nu kregen ze eindelijk hun welverdiende rust. De vermoeidheid stond op hun, door de onmenselijk zware training vermagerde gezichten, getekend. De scherpe lijnen om hun mond, de rood omrandde ogen, diep weggezonken in hun bleke koppen. Hun uniformen slobberden om hun afgetrainde, gespierde lichamen.
De sergeant klopte het weinige modder, dat zijn overigens bijna smetteloze uniform bedekte, met nonchalante gebaren weg. Het enige smerige aan de sergeant waren zijn veldschoenen waarmee hij net als de mariniers in de modder had lopen ploeteren. Niet zijn uniform. De mariniers hadden vervuilde en gescheurde uniformen door hun gezeul op de rottige berg.
"Oké lamzakken, genoeg geluierd! Jullie denken dat we een overwinning hebben behaald. Vergeet het maar. Kijk nog maar eens goed naar de berg. Daar zijn jullie je jeugd kwijtgeraakt."
De mariniers stonden keurig in gelid met zicht op de helse berg die hoog boven het kamp uitrees. Het teamwork was groot geweest. Twee mariniers in de jeep/boomstam, die het geluid van een ronkende motor moesten nadoen of brullend het geluid van een claxon lieten horen als het niet snel genoeg ging volgens de sergeant. En eigenlijk ging het nooit snel genoeg volgens de dikpens. Ploegen hadden vloekend met balken lopen sjouwen om achter de boomstam te leggen om te voorkomen dat deze terug zou glijden. Andere ploegen hadden met de zware takels en touwen lopen ploeteren om steeds de volgende boom te zoeken. En dat alles opdat de jeep/boomstam zonder onderbreking omhoog getakeld kon worden. De touwen hadden hun handen stuk gesneden van het eindeloos trekken eraan. Ze hadden in brand gestaan, die kapotte handen. Gevloekt hadden ze, die jonge mariniers. De sergeant sloeg ze voor hun kop als ze God aanriepen wanneer de boomstam enkele meters terug gleed in de modder omdat ze uitgleden in de rottige prut.
Weer begon de sergeant te brullen. "Niet zolang ik moet proberen om van dit stelletje ongeregeld een team te maken! De meesten van jullie denken heel wat te zijn. Vergeet het maar. Ik heb jullie verdomme horen vloeken op die door God vergeten berg. En ik houd verdomme niet van vloeken. Kerels vloeken en dat zijn jullie nog lang niet. Jullie horen mij toch ook niet vloeken, terwijl ik een kerel ben. Want ik ben een sergeant van de mariniers." De sergeant keek taxerend naar zijn mannen die in de hitte van de middagzon probeerden stram en onbeweeglijk op het zinderende exercitieveld in het gelid te staan. "De meeste van jullie zitten al langer in dit verdomde land en zijn er trots op in andere compagnieën gediend te hebben. Nou, vergeet het maar. Er is maar een compagnie en dat is waar ik sergeant in ben. Het 43ste. En dan heb ik het nog speciaal over dit verdomde 2de peloton. Jullie kunnen er trots op zijn, het Korps heeft voor dit zooitje ongeregeld dit mooie peloton. En waarom heeft het Korps jullie hier geplaatst, hé? Omdat jullie verdomde klootzakken zijn die ergens anders niet deugden."
De sergeant liep langzaam naar achteren waar hij in de schaduw ging staan van de enige plek op het exercitieterrein waar schaduw was. De halve koepels van de garage waar de trucks stonden die de mariniers moesten vervoeren wanneer haast geboden was. Of wanneer de afstand te groot was om, zelfs door mariniers, lopend afgelegd te worden. De dofgroen gespoten trucks waren ook om de mariniers in hun weinige vrije tijd naar de dichtbij zijnde stad te brengen. Ja, mariniers met vrije tijd werden goed verzorgd. Maar nu stonden de wagens ongebruikt onder het afdak van de garage.
Opnieuw verhief de sergeant zijn stem. "En dan zijn er nog een stel die willen beweren dat ze tropenervaring hebben omdat ze op Curaçao of Aruba hebben gediend. Nogmaals, vergeet het maar." De sergeant bekeek de in de hitte van de middagzon staande mariniers en wilde op de grond spuwen. Maar al stond hij behaaglijk in de schaduw uit zijn mond kwam niet meer dan een droge rochel. Rustig pakte hij zijn veldfles, nam een grote teug en spuwde een straal water op de grond.
Menig marinier slikte even moeilijk en tongen probeerden de gebarsten lippen nat te maken bij het zien van het kostbare vocht dat de sergeant zo achteloos uitspuugde.
Daarna keek de sergeant naar zijn beide korporaals. "Kom op heren, jullie zijn meer dan dat zooitje Torren. Het is hier best wel uit te houden onder het afdak." Hij maakte geen haast zijn veldfles in het foedraal op te bergen voor hij weer naar de mariniers brulde. "Ik wil mezelf niet te druk maken, want daarvoor is het veel te heet! Maar dit zijn de tropen!" De sergeant vervolgde rustiger. "Ik wil het helemaal niet hebben over het stel groentjes, Baru's, zoals wij dat in het Korps noemen. Zij denken in Nederland een mariniersopleiding te hebben gehad en daar als ouwe jongens bij de parate eenheid Q.P.O. gediend te hebben. Ik durf niet eens in de lopen van jullie wapens te kijken. Stelletje smeerlappen. We zitten hier in Nieuw Guinea. Een land overdekt met oerwouden. Maar volgens mij zit er genoeg modder en zand in de wapens dat de kamelen erin kunnen rondlopen alsof het de woestijn is."
De uitgeputte mannen konden er niet om grijnzen. Deze mop werd al zo vaak verteld.
"Zoals ik al zei." De sergeant veegde het zweet van zijn voorhoofd en lette er vooral op dat zijn mannen onbeweeglijk in de houding stonden.
"Volgens mij moet er nodig iets aan de wapens gebeuren. En wanneer doet een marinier dat?" De sergeant liep enkele passen naar voren, keek even in de zon, schudde zijn grote kop en veegde weer het zweet van zijn voorhoofd. Hij ging weer onder het afdakje staan en brulde toen. "Juist ja, in zijn vrije tijd! Want jullie weten donders goed wat een marinier over zijn wapen zegt! Ik wil jullie allemaal horen als je toegeeft met wie jullie verkering hebben. Is dat duidelijk? En ik wil een beweging zien. Oké?" De sergeant gaf luid brullend het commando. "In draaghouding...! Geweer!"
Eindelijk verscheen er bij enkele mariniers een grijns op het gezicht en als een man brulden ze, terwijl ze hun wapens diagonaal voor hun borst hielden. "Dit is mijn wapen!" Ze waren nog net uitgebruld of ze legden een hand op hun gulp waarna het hele zooitje weer brulde. "En dit is mijn spuit!" Daarna tilden ze hun wapens boven hun hoofd en gingen verder met brullen.
"Hier ga ik mee vechten!" Hun handen werden vuisten toen ze hun edele delen vastpakten. "En hier ga ik mee uit!"
De sergeant grijnsde gemeen. "Oké stelletje flikkers! Wapen onderhoud! Over een half uur kom ik inspectie houden. En denk erom, jullie weten waar het Korps gek op is! Ik wil gepoetste schoenen en schone geperste uniformen zien." De sergeant liep met stevige passen de zon en de hitte in om zijn mannen het commando te geven om in te rukken. "En voor ik het vergeet!" Hij brulde onnodig hard terwijl het hele peloton slechts enkele passen van hem af nog steeds onbeweeglijk in de brandende zon stond. "Voor degene die nog de kampong in willen duiken. Om tweeëntwintig nul nul uur, dat is dus vanavond stelletje rukkers, staat iedereen met zware marsbepakking hier aangetreden." De sergeant zag dat zijn mannen onrustig werden en brulde er meteen achteraan. "Rustig aan maar! Het wordt alleen een nachtmars naar de stad." Hij grijnsde en liet er sarcastisch opvolgen." Jullie hebben goed gewerkt op de berg en zijn aan rust toe. Daarom gaan we die vijfenveertig kilometer vannacht doen. Veel stelt het niet voor. We lopen immers bergafwaarts. Hollandia, deze heerlijke stad ligt aan zee."



2

De sergeant keek nog even tevreden naar zijn mannen die op dat moment vooral geïnteresseerd waren in een bad.
Wat de avond bracht zouden ze dan wel zien. En zo hoorde het ook. De sergeant sprak zijn gedachten niet hardop uit, daarvoor was het nog te vroeg vond hij. Maar in zijn hart was hij trots op zijn mariniers. Hij had van deze jongens een eenheid weten te smeden die straks de vijand naar de hel zouden sturen. Maar nu liet hij zijn trots nog niet merken. Ze hadden nog enkele dagen te gaan. "Oké heren korporaals, jullie kunnen het overnemen. Laat de mannen maar inrukken. Eerst wapenonderhoud en na de inspectie zijn ze vrij."
De korporaals liepen naar voren en even later klonken de hard gebrulde commando's voor elke eenheid. "Geweergroep! Ingerukt... mars!"
Een van de korporaals liep meteen naar zijn mannen. "Oké jongens. Jullie hebben de sergeant gehoord. Na de inspectie zijn jullie vrij tot vanavond, maar houdt je een beetje rustig. En wees voorzichtig als jullie de kampong induiken. Die Papoea's vinden het maar niets als jullie met hun wijven rotzooien." De korporaal keek naar het groepje mannen en grinnikte even. Hardop riep hij. "Wije, mislukte bokser, ik had het ook tegen jou, hoor!" Hij schudde zijn hoofd en streek met z'n hand over het borstelige rooie haar. Zwijgers was een kleine gedrongen man en voelde zich in dit land thuis. Al was het hier heel anders dan zijn eigen geboorte streek. Zijn hele familie bestond uit boeren die in Friesland grote veestapels hadden. Hij was dan ook een echte uit de klei getrokken boer. Maar nu was het Korps zijn tehuis sinds zijn zestiende. Hij was altijd een sportief type geweest en een niet onverdienstelijk amateurbokser. In het Korps hadden ze dit gestimuleerd en hij was enkele jaren militair kampioen geweest. Opnieuw moest Zwijgers even grinniken en dacht terug aan de tijd dat hij Wije leerde kennen. Die rottige Amsterdammer. Op een avond kwam hij een kroeg binnen waar net een flinke knokpartij aan de gang was. Zonder er verder bij na te denken had hij de knul geholpen die ingesloten dreigde te worden. De knaap aan de bar sloeg flink van zich af en had al meteen zijn sympathie. Onbewust besefte hij dat het ook een marinier moest zijn. Het korte, stekelige haar, de hele houding. Mariniers herkennen elkaar meestal al vanaf een afstand. De knaap verdomde het om zijn gezicht af te wenden als er weer eens een flinke dreun aankwam. Het scheen voor die gozer een vorm van training te zijn. Daar leek het tenminste verdomd veel op. Toch stond die knul er slecht voor en dreigde het onderspit te delven. Hij, Zwijgers, had zich toen een weg gebaand naar de bar en zij aan zij ramden ze de tent leeg. De jonge vechtersbaas was inderdaad ook marinier en bleek net terug te zijn uit de West. Aruba. Hij had eigenlijk nog verlof, maar moest de volgende dag naar Den Helder. En hij, Zwijgers, was net 'n maand terug uit Nieuw Guinea. Hij lag in de kazerne in Doorn en moest ook de volgende dag naar Den Helder. Voor een bokswedstrijd op de sportschool daar.
"Om te kijken?" Had de marinier gevraagd.
"Nee, verdomme," grinnikte hij. "Ik moet zelf boksen. Maar jij wordt daar zeker geplaatst?"
De Amsterdammer had gelachen. "Wel, we zitten in dezelfde gewichtsklasse." Daarna had hij zijn stukgeslagen hand uitgestoken. "Wije is mijn naam. Aangenaam."
De volgende dag hadden ze tegen elkaar gebokst en verloor hij voor het eerst sinds jaren tegen die rottige Amsterdammer. Met een knock-out . Voor minder scheen die knaap het niet te doen. Iets anders wilde die Mokumer niet. Hij wilde niet op punten verliezen, maar overtuigend door zijn tegenstander tegen de mat te slaan. Ruim voor de wedstrijd had hij zich al verbaasd over het lichaam van die knaap. Alleen maar spieren. Die gozer had drie maanden alleen maar getraind. Zelfs in zijn verlof. En hij, Zwijgers de kampioen van het Korps, had tijdens zijn verlof de beest uit gehangen. Hij trainde na die mislukte wedstrijd harder dan ooit en de revanche was in zijn voordeel uitgevallen. Daarna waren ze elkaar uit het oog verloren, omdat Wije op verzoek naar Nieuw Guinea ging door al die verhalen van hem. Normaal praatte hij nooit over dat land, alleen als hij dronken was. En dat waren ze samen vaak. En nu hadden ze elkaar hier opnieuw getroffen. Korporaal Zwijgers schudde alle gedachten van zich af en liep achter het lachende groepje mariniers naar hun barak. De korporaal kon zelf ook weer grijnzen. Het Korps en boksen, zijn lust en z'n leven.
De barakken waar de mariniers gelegerd waren bestonden uit halve koepels en op de plaatsen waar gewoonlijk glas in de ramen zat, was de opening bespannen met gaas. Het was de enige manier om in de intense hitte nog verkoeling in de barakken te hebben. Het beetje wind dat er was kon vrij door de openingen naar binnen.
Een beer van een marinier liep naar zijn maat. "Hé Wije, je hoorde wat Zwijgers zei. Dat geldt zeker niet voor jou? Wat ga jij straks doen?"
"Ik? Ik ga straks lekker zwemmen. Iets verderop in de rivier is een waterval waar ik meestal naartoe ga. En daar wacht zo'n inlands grietje op mij."
De beer lachte." Ik dacht dat jij thuis een grietje op je had wachten. Maar ja, jij zit alweer bijna anderhalf jaar hier in dit pokke land."
"Inderdaad Sijne, wacht maar tot jij hier lang genoeg zit. Dan zoek je hier ook wel verkering met 'n wijfie." Hij grijnsde en zei toen laconiek. "Ach, die Papoea's zijn wel link want hun vrouwen worden nog uitgehuwelijkt. Ik had nog geluk dat ze de vrouw is van een Chinees en niet van een Papoea. Maar huwelijkstrouw is belangrijk. Het was de broer van het vrouwtje die achter mij aanzat met zijn kapmes en dat was wel even zweten. Gelukkig liep het goed af. Maar uiteindelijk zijn we mariniers. Ik kon harder lopen dan hij." Wije lachte spottend toen ze hun barak inliepen. Eerst wapenonderhoud, dan inspectie en een snelle hap. Daarna de bijnaam. Torren. wal op, zoals mariniers dat noemen. Passagieren. Geen schip in de buurt en toch passagieren op de wal. In pakkie-an deftig. Hun keurig geperste kaki uniform en gepoetste zwarte schoenen. De kepie, met daarop het mariniersembleem in de vorm van een torretje schuin op hun hoofd. Dat torretje gaf hen daarom ook hun
Zoals alles model ging bij het Korps Mariniers, ging het ook voor de mannen die deze middag vrijnamen om nog enige afleiding te hebben voor ze hun nachtelijke mars begonnen. Ondanks het rottige kleine stadje Ifar, waar bijna helemaal niets viel te beleven, moesten de mariniers eerst door de officier van de wacht geïnspecteerd worden voor ze de wal opgingen. Het stadje had aan vertier niet veel meer te bieden dan een militair tehuis waar de laatste films werden vertoond. Tenminste de laatste voor dat land. Misschien al jaren oud. Daar kon een biertje worden gedronken of, als specialiteit van het MT, een blik met gemend fruit genuttigd worden. Dan was er voor die streken de zeldzame aanwezigheid van een warme bakker, waar ook de kazerne het kleffe brood vandaan haalde. Ook het zogenaamde vakantie kamp. Niet meer dan enkele barakken waar de mariniers voor afwisseling in burger, mochten passagieren. Dat was alles wat Ifar te bieden had. En natuurlijk het missiekerkje, met een pater die naast het vertellen over God ook nog veel beleefd had in een van die afgelegen gebieden zoals de Baliem vallei. Dat was Ifar. Daarom gingen de meeste marinier liever naar Sentani met een vorstelijk zwembad en restaurant Meerzicht aan het grote Sentanimeer waar een bootje gehuurd kon worden of een heerlijk koud pilsje op het terras. Bovendien had dat stadje ook beduidend meer Chinese toko's waar nogal wat te regelen was. Meestal probeerden de mariniers Spaanse vlieg, wat de potentie scheen te verhogen, te versterken, maar dat was zelfs voor de Chinezen een moeilijk te verkrijgen handeltje. Geitenogen, die waren er wel. In xxl maat. Extra groot en de stoere mariniers kochten deze waardoor de behaarde oogleden niet op hun jonge heer bleven. Wel bleef het achter bij de dame in kwestie. Dan moesten ze dat rimpelige geval eruit zien te vissen.
De eenzame kazerne, buiten het stadje Ifar gebouwd, lag nog steeds te zinderen onder de koperen ploert, maar de aangetreden passagiers bleven model in de houding staan. Tergend langzaam liep de jonge officier langs hen en kon niet nalaten af en toe een opmerking te maken, terwijl hij voor een correct geklede marinier bleef staan. "En marinier! Waar heb jij je schoenen mee gepoetst?"
De marinier was nog niet lang bij het Korps en maakte de vergissing om ijverig terug te brullen. "Met schoensmeer, luitenant!"
De jonge officier bleef verschrikt stilstaan en keek de marinier verbaasd aan. "Wat schoensmeer...? En zo wou jij de poort uit...?"
De marinier knikte hoopvol, ja en keek zo uitdrukkingsloos mogelijk voor zich uit. De officier kreeg het duidelijk naar zijn zin op deze saaie wachtdienst, de enige afwisseling die hij deze dag zou hebben. "Terug jij!" brulde hij ontzet. "Een marinier poetst zijn schoenen met vlijt en ijver!"
"Maar luitenant..." Begon de marinier.
De luitenant, zelf nog wel milicien, was gemoedelijk en wilde de uitvlucht van deze marinier wel horen om des te meer leedvermaak te hebben. "Ja, zeg het maar!"
"De volgende sloep gaat pas om vijf uur luitenant." De marinier was wel lang genoeg in dienst om de juiste uitdrukkingen te gebruiken. Mariniers gaan niet de stad in, maar passagieren. En passagieren doe je niet met een truck maar dan neem je de sloep die naar de wal gaat. Net zoals de marinier nu met zijn platvoeten op dek stond.
"Inderdaad marinier..." De officier grinnikte. Zijn dag was weer goed.
"Dan heb je pech marinier." De officier ARO, milicien, dacht even flink na en brulde branieachtig. "Als je alleen maar de wal opgaat om aan je zeuntje, pik, te sjorren, kan je dat ook op het schijthuis doen." Meteen bloosde de jonge luitenant van zijn eigen grofheid. Waarschijnlijk had hij een vorm van tropenkolder omdat hij, te midden van al die beroepsofficieren, als sportieveling te weinig zoop. Bier was de enige remedie om deze ziekte weg te houden.
De luitenant wilde zich snel een houding geven. "Je moet je trouwens ook beter scheren." Tevergeefs probeerde hij tussen duim en wijsvinger enkele niet aanwezige baardharen te pakken. Maar dat maakte niets uit. Scheren moest. De rest kon inrukken om met de sloep naar de wal te gaan en te passagieren.
Wije slaakte een zucht van opluchting. Alles aan zijn uniform was buiten model. Ooit had hij bij een bezoek aan een Amerikaanse Mariniers basis zijn hele uniform geruild met een dronken Yank. Deze kerels hadden alles beter. Ook de kaki uniformen waren van betere kwaliteit. Net als de koppel. Maar waarschijnlijk had het jonge officiertje het verschil toch niet gezien.
Met een grote boog liep hij om de kazerne heen en waande zich al meteen in het paradijs. De kazerne en de afgestompte discipline kon hij hier een tijdje vergeten. Alles aan de omgeving waar hij zijn vriendin ontmoette was idyllisch. Het riviertje, dat hier van de berg stroomde, vormde een kleine poel met plat afgesleten rotsblokken om op te liggen en in de zon te luieren. Het meisje was er nog niet. Snel kleedde hij zich uit en dook meteen in het verkoelende water. De krachtige stroom trok zijn naakte lichaam mee en met rustige slagen hield hij zich drijvende. Kans op ontdekking was er niet. De plek lag goed verscholen achter en onder de vele bomen die de omgeving bijna hermetisch afsloten. Het Korps vond het maar niets als zijn mariniers met de plaatselijke vrouwen omgang had. Maar Dorcas had hem op zekere dag meegenomen, want ook zij wilde het liefst met de marinier alleen zijn. Ze was door haar familie uitgehuwelijkt aan een rijke Chinees, die zijn jeugd al jaren achter zich had.
De marinier kreeg genoeg van het zwemmen, trok zich omhoog aan een rots en hield het enige paadje in de gaten dat bij de poel uitkwam. Toch was hij nog verrast toen een lieve zachtjes stem achter hem zei. "Mooie billen. Mooie marinier."
Het meisje kwam tussen de struiken door naar het water, liet haar jurkje zakken en waadde naar hem toe. Ze kusten elkaar hartstochtelijk en lieten zich onder water glijden. Even later zwommen ze met lome gebaren naar de kleine waterval en kropen op de kant. Veel werd er niet meer gesproken en beiden genoten van de aanrakingen in hun spel van liefde. Wije keek naar het prachtige lichaam en zuchtte diep. "Nog even en we gaan hier weg. Ik zal je missen."
De jonge inlandse lachte en legde zachtjes een hand op zijn mond. "We hebben nu toch nog tijd voor elkaar."
Ze spraken met elkaar in het Maleis, de enige taal die in het land tussen de vele bevolkingsgroepen werd gesproken. Ieder dorp had een eigen taal en kon elkaar begrijpen door een gezamenlijke taal te spreken. In enkele gevallen was dat Nederlands, maar nog vaker het Maleis. Wije had speciaal voor Dorcas deze taal geleerd om toch vooral niets te missen van de lieve woordjes die zij tegen hem sprak.
"Moet je echt weg? Je weet dat ik van je houd. Je kunt je ergens verstoppen." Opnieuw drukte ze haar lichaam hunkerend tegen de gespierde marinier in een verlangen niet te praten, maar te genieten van de korte momenten die ze hadden.
"Ik houd ook van jou, maar je weet dat wij mariniers nooit lang op een plek blijven." Het klonk stom, maar hij wist voor dat moment niets anders te zeggen. "Als mijn baas zegt, dat ik moet gaan, heb ik dat te doen."
Het meisje sloot haar ogen en dacht terug aan een van hun eerste ontmoetingen. Haar broer had hen betrapt toen ze zaten te praten in een van de klappertuinen. Alleen maar praten met elkaar, heel onschuldig. Ze had de marinier ontmoet toen deze met een oefening in de buurt van haar huis was en zijn veldfles had gevuld. Ze kon hem niet vergeten en had hem opgewacht toen hij op een dag de kazerne verliet. Maar haar broer dacht gelijk het slechtste en had de marinier met zijn kapmes aangevallen. Niet uit kwaadheid op de marinier, maar vrouwen betekenden zo weinig. De hele familie was afhankelijk van haar huwelijk met de rijke Chinees. En zij, een domme vrouw, verpeste alles. De marinier had het kapmes weggeschopt en wilde haar broer te lijf gaan.
"Beter weg, nu." Had ze gezegd. "Zo is beter. Ga."
De marinier had haar met grote ogen aangekeken en duidelijk moeite gehad om te gaan. Haar broer had haar meegenomen naar huis en geslagen. Maar de marinier was niet weggegaan. Ineens stond hij binnen en vocht met haar broer. Zij was angstig naar buiten gegaan om af te wachten wat er allemaal ging gebeuren. Toen de mannen vechtend naar buiten rolden had de marinier haar broer bijna gedood. Maar ze was er tussen gesprongen om hem tegen te houden. Toen had de marinier het simpele houten hutje, meer dan een kamer had het op palen gebouwde huisje niet, in brand gestoken. Daarna sleurde hij haar broer mee en wierp hem in de vlammen. Maar de marinier wilde niet meer dat haar broer om zou komen en was opnieuw het brandende huisje in gerend. Samen met Akar was hij naar buiten gekomen. "Dat flik je nooit meer." De woorden waren duidelijk geweest en haar broer had geaccepteerd dat ze omgang hadden. De familie leed er niet onder. Af en toe bracht de marinier geschenkjes mee. En nu? Nu moest hij weer weg. Ze zou haar stoere marinier missen. Maar Dorcas hield zich flink en wilde niet dat de marinier haar tranen zou zien. Opnieuw streelden haar zachte handen zijn brede rug en ze voelde dat haar verdriet het begon te winnen. Ze drukte haar hoofd tegen de sterke rug. Niet haar wang. De marinier mocht niet voelen dat de warme tranen erlangs liepen. Ze huiverde van een alles verterend verlangen, wachtte tot haar tranen waren gedroogd en zocht zijn mond. Met alle kracht die in haar was sloeg ze verlangend haar armen om hem heen. Nog eenmaal gleden ze in het water, zwommen naar de andere oever en klommen op de kant. Meer verborgen tussen de struiken. Opnieuw hadden ze elkaar lief.
Pagina 1 van 1 [ Er zijn 3 resultaten gevonden ]



Ga naar:  
Powered by phpBB © 2000, 2002, 2005, 2007 phpBB Group.
Designed by STSoftware for PTF.

Vertaald door phpBBservice.nl.