Bekijk onbeantwoorde berichten | Bekijk actieve onderwerpen Het is momenteel Wo 22 Nov 2017, 12:16



Reageren op dit onderwerp  [ 3 berichten ] 
 Indië-veteranen: het weggemoffelde leger 

Het spijt ons,

De overige 2 reacties kunt u niet zien.

U moet een geregistreerd gebruiker zijn en/of aangemeld zijn om de rest te kunnen zien.


Registreren of Aanmelden
Auteur Bericht
Marinier Commando
Marinier Commando
Avatar gebruiker

Geregistreerd: Ma 29 Nov 2010, 10:17
Berichten: 6804
Woonplaats: Doorn
Has thanked: 167 times
Been thanked: 714 times
National Flag: Netherlands
Reageer met citaat
Bericht Indië-veteranen: het weggemoffelde leger
Vijftig jaar geleden droeg Nederland de soevereiniteit over aan Indonesië. De meer dan 100 000 Indië-veteranen, meest 70-plussers, kijken met bitterheid terug. Want waarom gaven Nederlandse politici de stad Djokja weg, die de militairen net met moeite en verlies veroverd hadden ? En waarom gaven diezelfde politici na de oorlog niet toe dat zij zelf gefaald hadden en dat de soldaten gewoon hun plicht hadden gedaan?

In de onmiddellijke nabijheid van Roermond ligt het Nationaal Indië-monument. Het is opgericht ter nagedachtenis van de bijna 5 000 militairen die tussen 1945 en 1962 in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea zijn gesneuveld. Jaarlijks wordt hier op 7 september een herdenkingsplechtigheid gehouden waarbij doorgaans meer dan tienduizend veteranen acte de présence geven, momenteel zeventigjarigen of nog ouder. Maar ook op gewone dagen blijkt de plek een pelgrimsoord: er liggen altijd kransen.

Het is een samengesteld monument. Tussen de zuilen met de namen van de gevallenen en de gedenktafels van de afzonderlijke onderdelen staat op een prominente plaats een borstbeeld van generaal Spoor. Direct aangrenzend bevindt zich het Generaal S. H. Spoor Paviljoen, waar wandkleden, vaandels en herdenkingsbordjes van allerlei onderdelen staan opgesteld of aan de muur zijn bevestigd.

Twee dingen, niet zichtbaar, zijn het vermelden waard. Het monument kwam tot stand op initiatief van de veteranen zelf; de overheid droeg zorg voor de uitbreiding. En het is een relatief nieuw monument. Het werd eerst op 7 september 1988 door prins Bernhard onthuld; het paviljoen werd in 1995 door mevrouw Spoor opengesteld.

Het particuliere initiatief, de late totstandkoming en zelfs de keuze van Roermond symboliseren tezamen de marginale positie van de Indië-veteranen in onze samenleving. Ze zijn in ons land aanwezig, met meer dan 100 000 man, maar tot voor een jaar of tien werden ze vergeten.

Ze vormen de levende, soms lastige getuigen van een doodverklaard verleden: van Indië, door Nederland voorgoed opgegeven, afgestoten aan een nieuwe staat. Ze waren als militairen betrokken bij de laatste poging tot behoud van het overzeese rijk maar die poging was mislukt. Een onplezierige affaire, niet iets om lang bij stil te staan.

Wie met Indië te maken heeft gehad, dient zijn verleden te begraven. Niet alleen de Nederlandse dienstplichtigen van de jaargangen 1925-1929, ook de leden van het voormalige Indische leger, en de Zuid-Molukkers en natuurlijk de Indische Nederlanders die vriendelijk 'gerepatrieerden' werden genoemd terwijl ze hun land hadden verloren: zij allen konden in het moederland aan de slag maar ze moesten wel ophouden met achterom te kijken.

Dus kwamen er geruime tijd voor al die duizenden oud-strijders, voor de ex-geïnterneerden en ex-krijgsgevangenen, voor de gemartelden en de vermoorden geen gedenktekens. Rond 1980 waren er ter herinnering aan de oorlog in ons land 1 500 monumenten opgericht tegenover slechts enkele Indische herdenkingsplaatsen.

Zelfs het Nationaal Monument op de Dam was van de aanvang af strikt, of beter: eng-Nederlands opgezet. De elf urnen in het monument zouden gevuld worden met aarde van executieplaatsen in de elf provincies, en pas na veel gesteggel werd besloten tot een twaalfde urn, gevuld met aarde van een aantal erebegraafplaatsen in de archipel.

Maar er was een voorwaarde aan verbonden, door de historica Elsbeth Locher-Scholten onlangs aan het licht gebracht, die de beschamende wijze laat zien waarop men toen al, kort na de oorlog, over de militairen dacht die in Indië hun plicht vervulden: de as van de zogeheten Indonesische urn mocht uitsluitend afkomstig zijn van slachtoffers uit de Japanse tijd. De opzet lukte - bij toeval - niet. Daar de urn pas einde 1949 werd gevuld, bevatte ze ook as van gevallenen die in de periode 1945-1949 op de militaire erebegraafplaatsen in Indië ter aarde waren besteld. Het werd angstvallig verzwegen. De deksel van de urn vermeldt alleen de jaartallen 1941-1945.

Het ceremonieel was dienovereenkomstig. Pas sinds 1961 werd de jaarlijkse herdenkingsplechtigheid op de Dam gehouden ter nagedachtenis van 'allen die sinds mei 1940 voor het vaderland zijn gevallen', onder wie dus ook degenen die in Indië; het leven lieten. De doden waren na lang talmen eindelijk symbolisch 'erkend' en met de anderen verenigd.

Ze bleven omstreden. In 1969 bestond het Amsterdamse Provo-raadslid Roel van Duijn het, in de raad de vraag te stellen of het Nationaal Monument niet werd 'onteerd' door er 'de niet ten onrechte gesneuvelde soldaten die aan de politionele acties in Indonesië hebben deelgenomen, te herdenken'.

Wie zich afvraagt hoe het kan dat de Indische veteranen zelfs nog na vijftig jaar verbitterd zijn, zich consequent naar binnen keren en naar buiten toe een front van zwijgzaamheid vormen, moet hier beginnen. Hij kan dan meteen kennisnemen van de venijnige 'excessen-discussie' die in de eerste maanden van 1969 Nederland in opwinding bracht, met de altijd weer voor het grijpen liggende vergelijkingen met Duitse- en nazimethoden, met SS'ers en de Japanse Kempetai. En als hij zijn reis door de tijd vervolgt, dan zal hij twintig jaar later op een tweede excessen-discussie stuiten, nu naar aanleiding van het werk van dr. L. de Jong die eveneens het Nederlandse militair optreden in Indië meende te kunnen vergelijken met Duitse en Japanse oorlogsmisdaden. De stereotypen lagen gereed en waren op afroep beschikbaar om de kloof te markeren tussen goed en fout, goed in Nederland, fout in Indië. De tienduizenden Nederlandse militairen die in de jaren 1945-1949 naar Indië werden gezonden, gingen niet alleen in opdracht van de wettige overheid - zoals terecht wordt gezegd - maar tevens met de instemming van alle politieke partijen, de CPN uitgezonderd, en met de zegen van de kerken. Ze wisten dat er in sommige kringen heftige kritiek was op de oorlog in Indië, maar ze wisten ook dat over het geheel genomen het thuisfront gesloten was. Gezagsgetrouw als ze waren, als leden van de naoorlogse generatie, voelden ze zich gerust bij de gedachte dat de sociaal-democraat Drees zo goed als de katholieke voorman Romme, de liberaal Oud en zeker de gereformeerde mannenbroeders achter hen stonden en tot in de laatste fase niet zouden wankelen.

Het Limburgse infanteriebataljon waarmee ik medio 1947 naar Indië ging werd bij vertrek letterlijk van alle kanten bedolven onder de verzekering dat wij bestemd waren voor wat momenteel een 'humanitaire missie' wordt genoemd. De commissaris van de koningin sprak van een 'pacificerende taak' en benoemde ons voor de gelegenheid tot vertegenwoordigers van de christelijke beschaving. De bisschop riep ons op 'soldaten van Christus en soldaten van het vaderland' te zijn en de vicaris-generaal van het bisdom kwalificeerde het toekomstig optreden van de soldaten als 'een taak waarin zij aan millioenen rust en orde brengen'. En zo bleef het overzee. Kardinaal De Jong, door het Vaticaan belast met de zielzorg van de militairen in Indië, verzekerde ons na de tweede politionele actie per legerweekblad dat we bezig waren met een 'historische taak en plicht ten opzichte van het miljoenen-volk van Indonesië'.

De legerleiding bleef uiteraard niet achter. Bij gelegenheid van de eerste actie in 1947 richtte legercommandant Spoor zich tot de troepen met een oproep die de indruk kon wekken dat we het werk van onze Canadese en Amerikaanse bevrijders anno 1944-1955, bezig waren voort te zetten:

'Gij rukt niet op om aan dit land den oorlog te brengen, maar om het de vrede te hergeven. Gij komt niet als veroveraar, maar als bevrijder. Gij komt niet om te straffen, maar om te beschermen'.

De tweede politionele actie was het vervolg van onze vredesmissie. Spoor in zijn dagorder: 'Beseft dat gij geen krijgsvolk zijt, doch brengers van recht en veiligheid aan een bevolking, die reeds te lang zuchtte onder terreur en onderdrukking'. Vandaar ook dat de duizenden patrouilles die in die jaren werden gelopen, altijd dezelfde dubbele taakopdracht kenden: 'Verkennen en vernietigen van de vijand; vertrouwen wekken bij de bevolking'. De vijand: dat waren benden, extremisten en terroristen. Met het afscheppen van dat bovendrijvend schuim zou de zaak geklaard zijn.

Werd aan deze retoriek, deze ideologische rechtvaardiging geloof gehecht? Ja en nee. Ja, want waar de Nederlandse militairen mee werden geconfronteerd was een guerrilla-oorlog. Ze vonden geen geordend leger tegenover zich met kleine groepjes half- of niet-geüniformeerde bruine mannetjes, moeilijk te grijpen, wegduikend in de bevolking. Ze konden het leger van de tegenstander niet uitschakelen omdat het zich verschool en toesloeg vanuit de hinderlaag, uit het struikgewas, uit de heuvelrand langs de weg.

Vooral de wegen tussen de Nederlandse posten waren het doelwit van de Indonesiërs. Sommige trajecten golden als 'dodenwegen'; er kon uitsluitend in konvooi worden gereden, met een pantserwagen vóór en achter de colonne. Maar ze gaven geen bescherming tegen de ingegraven landmijnen en de trekbommen, bij voorkeur aangebracht op plaatsen waar de weg onbegaanbaar was gemaakt, met omgehakte bomen en keien, of door gaten of grondmassa's die over de weg waren gewerkt.

In dit chaotische gevechtsterrein probeerden de Nederlandse troepen orde te scheppen en rust te verzekeren. Er diende weer een geregeld - Nederlands - bestuur te komen en de plantages moesten worden opgebouwd, beveiligd en in productie. Maar dan moest eerst een einde worden gemaakt aan de 'benden' die dit allemaal onmogelijk maakten. Er waren trouwens behalve eenheden van het Indonesische leger heel wat echte 'benden' actief. Een guerrilla-oorlog is bij uitstek het speelterrein van heel- en halfcriminele elementen die zich als 'strijdgroepen' afficheren maar zich ten koste van de bevolking verrijken. De Indonesische Republiek kon of wilde aan hun terreur geen einde maken - vergelijk de Geuzen en Oranje in onze onafhankelijkheidsoorlog - zodat de Nederlandse troepen wel degelijk de bevolking van een plaag verlosten.

Maar de militairen geloofden de officiële retoriek niet blindelings. Men wist van het bestaan van een Indonesische regering in Djokja, waarmee de Nederlandse regering in Batavia in contact stond. Men wist dat er behalve 'benden' ook een Indonesisch leger actief was, dat vanuit Djokja werd gedirigeerd.

Helaas haalde al dat diplomatieke gepraat niets uit, in ieder geval niet voor de soldaten wier werkelijkheid een totaal andere was. Terwijl de 'hoge heren' hun beraadslagingen jaar na jaar voortzetten, wachtten de soldaten vergeefs op het einde van het conflict. Er was in hun ogen maar één oplossing: 'naar Djokja en dan naar huis'. Het lijkt een agressieve houding, tenzij men beseft dat de Nederlandse onderdelen tussen twee en drie jaar in Indië waren gestationeerd, zonder te weten wanneer ze voor demobilisatie in aanmerking zouden komen.

De tweede politionele actie, in december 1948, bracht het einde in zicht. Hoe vreemd het ook klinkt, ze werd met enthousiasme verwelkomd. Ze verliep aanvankelijk trouwens zeer voorspoedig. Djokja werd in een ommezien vanuit de lucht bezet, de voornaamste Indonesische leiders werden geïnterneerd en in de weken daarna kwamen alle grotere steden en verbindingswegen op Java en deels ook op Sumatra in Nederlandse handen. 'De laatste phase in de actie tegen het verzetswezen', zoals generaal Spoor het noemde, was begonnen.

De 'zuivering' van het immense platteland verliep weliswaar moeizaam, soms was het dweilen met de kraan open, maar gedweild wérd er, ondanks de overbelasting van de troepen en de toenemende verliezen.

In mei 1949 ging alles plotseling mis, niet omdat de troepen het hadden opgegeven maar omdat de politici in Den Haag een draai van 180 graden maakten. Het Van Royen-Roem-akkoord dat tussen Nederland en de Republiek tot stand was gekomen, voorzag onder meer in de ontruiming van de residentie Djokja en op termijn, na een staakt-het-vuren, in de terugkeer van de geïnterneerde Indonesische leiders naar hun hoofdstad. De strekking was duidelijk: de Nederlandse regering was bezig de politieke en een deel van de militaire winst aan de Republiek weg te geven, terwijl de Nederlandse soldaten gelijktijdig te horen kregen dat hun acties tot nader order werden voortgezet; pas in augustus kwam het staakt-het-vuren. Wie in de tussengelegen maanden sneuvelde, gaf zijn leven voor een zaak die door de eigen regering was verraden.

In mei 1949 ontstond de dolkstootlegende, die - zoals het bovenstaande laat zien - deels een legende is, deels ook realiteit weerspiegelt. Het is in die zomermaanden van 1949 geweest dat 'de politiek' exclusief de rol van zondebok kreeg toegewezen, bij de soldaten in Indië, nadien bij de veteranen in Nederland, tot op de dag van vandaag. De duizenden oude mannen die zich jaarlijks om het Indië-monument in Roermond scharen, herdenken in die geest van verbittering hun gevallenen.

Het had anders kunnen lopen als Nederland bij hun terugkeer had erkend dat de politici hadden gefaald maar dat de soldaten hun plicht hadden gedaan. Het tegendeel gebeurde: de politici gingen over tot de orde van de dag, vermeden ieder nader parlementair onderzoek en werden alleen actief als er uit de samenleving berichten over 'excessen' opdoken. Die excessen worden door de militairen niet ontkend. Men wist ervan en men had niet altijd schone handen. Maar men houdt vol dat wie niet 'erbij' is geweest, geen recht van spreken heeft, omdat hij niet begrijpt dat oorlog eigen wetten kent en eigen wetteloosheid, en een guerrilla-oorlog in dubbele mate. En men weigert de collectieve schuld op zich te nemen die de samenleving aan de Indië-veteranen wil toeschuiven.

In Indië-militairen hebben het ongeluk gehad betrokken te zijn geweest in een oorlog die Nederland liefst wil vergeten omdat hij door politieke misrekening in een debacle eindigde. Ze staan zwak omdat ze weten - en in eigen kring toegeven - dat er in dat conflict ook militair van alles is misgegaan, maar tegelijkertijd beseffen dat dit niet het hele verhaal is, niet de werkelijkheid zoals zij die hebben leren kennen.

Ze zouden hun verleden willen redden maar ze moeten keer op keer ondervinden dat het hen is ontstolen.

Bron : Archief Trouw

_________________
Glimlachen is de meest elegante manier om je tegenstander de tanden te laten zien


Wo 25 Feb 2015, 22:38
Meld dit bericht

These users thanked the author Rinus - Doorn for the post: André Jans
  Rating: 14.29%
Profiel Privébericht versturen E-mail
Berichten weergeven van de afgelopen:  Sorteer op  
Reageren op dit onderwerp   [ 3 berichten ] 

Wie is er online?

Gebruikers in dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast


U mag geen nieuwe onderwerpen plaatsen in dit forum
U mag geen reacties plaatsen op onderwerpen in dit forum
U mag uw berichten niet wijzigen in dit forum
U mag uw berichten niet verwijderen in dit forum
U mag geen bijlagen plaatsen in dit forum

Zoeken naar:
Ga naar:  
Powered by phpBB © 2000, 2002, 2005, 2007 phpBB Group.
Designed by STSoftware for PTF.

Vertaald door phpBBservice.nl.